De lijfarts

DOKTER GUBLER HEEFT geen moeite gehad met de ethiek van zijn beroep. Kort na de begrafenis van François Mitterrand lekte uit dat de president al in 1981 op de hoogte was gebracht van zijn prostaatkanker, gevolgd door een boek van Gublers hand waarin de bijna veertien jaar volgehouden grote leugen van Mitterrand en zijn medische team in detail uit de doeken wordt gedaan. De auteur toont misschien een gebrek aan piëteit, maar zijn zakelijk inzicht laat niets te wensen over.

Over het moment van publikatie valt wel te twisten, maar het is niet ongebruikelijk dat lijfartsen van overleden bekende staatslieden na verloop van tijd het volk inlichten over de meer persoonlijke facetten van het leven van de betrokkene - waarvan zij doorgaans als geen ander op de hoogte zijn. Veelal rechtvaardigen deze medici zich door zich een oordeel aan te meten over het door leeftijd en/of ziekte veroorzaakte vermeende onvermogen van hun patiënt om op een bepaald moment of in een omschreven periode de publieke zaak te dienen. Daarmee suggereren zij dat achter hun meer banale oogmerken de behoefte schuil gaat de geschiedschrijving van dienst te zijn. Ook Gubler volgt dit gebruik, hoewel zijn hoofdpersoon vrijwel tot het laatste in staat is gebleken op niveau met zijn omgeving te communiceren. DE GROTE LEUGEN kwam voort uit goede bedoelingen. Mitterrand had zich voorgenomen te breken met de traditionele geheimzinnigheid rondom de gezondheidstoestand van het Franse staatshoofd. Medische communiqué's van het Elysée zouden in een democratische behoefte gaan voorzien. Maar het noodlot sloeg toe en Mitterrand vluchtte naar het leugentje om bestwil. De officiële verslagen over zijn medische toestand waren van dat moment af zeer bewust tot stand gebrachte vervalsingen van de werkelijkheid. Opening van zaken zou, zo vreesde de zieke, het einde van zijn presidentschap hebben betekend nog voordat het was begonnen.

In weerwil van de medische prognoses heeft Mitterrand het twee ambtstermijnen volgehouden. In die zin heeft hij het gelijk toch nog aan zijn kant weten te krijgen. Maar de geloofwaardigheid van het Elysée is ernstig aangetast. OPENHEID OVER de gezondheid van de president leek na de tragedie van het steeds zichtbaarder geworden maar officieel verzwegen lijden van Georges Pompidou, een van Mitterrands voorgangers, een zuiver idee en een lofwaardig voornemen. Maar de functie van de lichamelijke staat voor de persoonlijke prestatie is blijkbaar te subjectief voor een objectief politiek oordeel. Zoals in het geval-Mitterrand alleen al de door de feiten ingehaalde medische prognoses hebben duidelijk gemaakt. Wie zal bijvoorbeeld het werkelijke verband kunnen schetsen tussen Mitterrands wil en Mitterrands vermogen om een tweede ambtstermijn aan te gaan en die vervolgens ook nog uit te dienen? Het is wellicht raadzaam voor de toekomst het communiqué over de medische toestand van de Franse president weer los te koppelen van de politieke dwangmatigheid.