De ironie van de geschiedenis

Eén keer heb ik de gelegenheid gehad een kort gesprek met François Mitterrand te hebben. Dat was tijdens het staatsbezoek dat hij in 1984 aan ons land bracht, om precies te zijn na afloop van het officiële diner. De conversatie ging - hoe kon het ook anders - over de verschillen tussen het Franse en het Nederlandse socialisme. In Frankrijk regeerde een regering van socialisten en communisten. Linkser kon het haast niet. Maar wat was er nu eigenlijk links aan die politiek? In Nederlandse ogen niet veel. Wat de buitenlandse politiek betreft, waren de socialisten, althans hun leider Mitterrand, krachtige voorstanders van het besluit tot plaatsing van kruisraketten. Dat was in linkse Nederlandse kringen zo ongeveer het meest rechtse dat je kon bedenken. Verzet tegen die plannen werd daar beschouwd als het enige overtuigende bewijs van een goed geweten.

Ook in de Franse binnenlandse politiek viel niet veel socialistisch te zien en ik verstoutte mij dat op te merken. “Hoe zou u het beleid dan wel willen typeren”, vroeg de president niet zonder ironie. Waarop ik - minder snedig dan het klinkt want niet geheel onvoorbereid - zei: “Als een mengsel van colbertisme en saint-simonisme met een vleugje jaurésisme.” Mitterrand keek mij aan met die geheimzinnige blik die wij zo goed van hem kennen en zei met dat zuinige mondje dat wij al even goed kennen: “C'est assez juste ce que vous dites, Monsieur le professeur. Oui, c'est assez juste.” Geslaagd voor het examen, maar discussie gesloten.

Dat was in februari 1984, aan het begin van zijn eerste septennaat. Er zouden nog meer dan tien jaar Mitterrand volgen en in die tien jaar zou er veel veranderen. Zo traden de communisten kort daarna uit de regering en regeerde de socialistische president zelfs twee keer met een rechts kabinet, de vermaarde cohabitation, een begrip dat Mitterrand ook uit zijn privé-leven kende. Er is in de loop van die jaren dus heel wat veranderd, maar ook nu nog lijken mij colbertisme, saint-simonisme en jaurésisme begrippen die zijn bewind karakteriseren.

Colbert was minister van financiën onder Lodewijk XIV. Hij vond dat de staat een leidende rol moest spelen in de economie. Dat is in Frankrijk sindsdien gewoonte gebleven. Zowel De Gaulle als Mitterrand pasten in deze traditie. Hoewel staatsinvloed op de economie links lijkt, is het dat in dit geval dus niet.

Saint-Simon was de eigenaardige utopistische socialistische denker uit het begin van de negentiende eeuw die alle heil voor de mensheid verwachtte van de industrie. Sommige van zijn volgelingen waren zelfs zo enthousiast dat ze een nieuwe versie van de Marseillaise ontwierpen waarin het bekende 'Allons, enfants de la patrie' was vervangen door 'Allons, enfants de l'industrie'. Mitterrand was een voorstander van de technologische en industriële modernisering van Frankrijk, maar ook dat was noch bijzonder links noch bijzonder nieuw. Pompidou en Giscard waren hem hierin voorgegaan.

Jean Jaurès was de beroemde leider van de Franse socialisten uit het begin van deze eeuw die een humanistische en ethische vorm van socialisme voorstond. Hij vond zijn inspiratie niet zozeer in het marxisme alswel in de idealen van de Franse revolutie. Het is niet erg duidelijk wat het socialisme voor Mitterrand, die van huis uit traditionalistisch en rechts dacht en voelde, precies heeft betekend. De socialistische partij lijkt vooral een vehikel voor zijn politieke ambities te zijn geweest. Maar voorzover men van socialisme kan spreken, kwam de inspiratie eerder van Jaurès dan van Marx. De eerste daad van zijn presidentschap, de afschaffing van de doodstraf, was daar een goed voorbeeld van.

Het linkse karakter van het nieuwe regime bleek vooral tijdens de beginperiode, toen de regering grootscheepse verhogingen van de lonen en sociale uitkeringen doorvoerde en vele bedrijven nationaliseerde. Deze politiek kwam voor een vuurproef te staan, toen de financiële en economische gevolgen ervan zich deden voelen. De socialisten moesten toen kiezen: ofwel zich aanpassen aan de internationale economie, dan wel zich terugtrekken in een isolement. Er waren in de partij voorstanders van het laatste, het zogenaamde 'albaanse scenario', maar Mitterrand koos resoluut voor het eerste, de politique de rigueur. Dat is een van zijn politieke verdiensten.

Er zijn er meer. De uitschakeling van de communistische partij als machtsfactor bijvoorbeeld en de decentralisatie van het bestuur. Met dit laatste brak Mitterrand met een eeuwenoude, typisch-Franse, centralistische traditie. De grands travaux mogen er ook zijn. Er bestaat enige neiging, vooral in Nederland, wat lacherig te doen over deze grote architectonische projecten en zeker is het ontwerp van de grote bibliotheek een problematisch project geworden. Maar waarom zouden wij niet voor één keer een president prijzen die wist wat cultuur was en er een prioriteit van maakte? Als Parijs nog steeds de enige stad is die als culturele hoofdstad van de wereld kan concurreren met New York, dan komt dat voor een groot deel door Mitterrand.

In de buitenlandse politiek valt, ondanks een zeker verbaal tiers-mondisme en anti-amerikanisme, met name bij minister Jack Lang, een duidelijke loyaliteit met de Westerse alliantie te signaleren. Opvallender nog is Mitterrands toewijding aan de zaak van de Europese eenwording en in het bijzonder aan de Frans-Duitse samenwerking als grondslag hiervan. Alweer, dit was noch nieuw noch typisch links. Mitterrand zette de politiek voort die De Gaulle tot de zijne had gemaakt en die in zekere zin al in de Vierde Republiek door mensen als Schuman en Monnet was ingezet. Net als bij dezen ging het ook bij Mitterrand primair om een politieke conceptie. De eenwording van Europa was voor hem een zaak van oorlog of vrede en dus, letterlijk, van leven of dood.

De belangrijkste erfenis van Mitterrand is wellicht tevens de meest paradoxale, namelijk de bevestiging van de staatsinstellingen van de Vijfde Republiek. Mitterrand - het is algemeen bekend - heeft zich tegen de constitutie van De Gaulle's Vijfde Republiek vurig en heftig verzet. Eenmaal tot president gekozen, heeft hij het stelsel echter aanvaard als een pak dat prettig zat en er niets aan veranderd. Dit lijkt het summum van cynisme te zijn en dat is het misschien ook wel. Maar voor degenen die dit stelsel omhelzen - en dat is de grote meerderheid der Fransen - was deze ontwikkeling van groot belang. De Vijfde Republiek was een schepping van rechts en leek zo te zijn ingericht dat ze altijd een bezit van rechts zou blijven. In 1981 veranderde dat. Links kwam aan de macht en ook links bleek binnen het systeem te kunnen functioneren. Daarmee werd het stelsel bovenpartijdig en thans lijkt het voorgoed te zijn verankerd in de Franse politiek. Dat is precies wat Mitterrands grote tegenstander, Charles de Gaulle, zo graag wilde. Het is maar goed dat zowel De Gaulle als Mitterrand veel oog hadden voor de ironie van de geschiedenis.

    • H.L. Wesseling