Dat zoeken we op

Er was een tijd dat in laboratoria van grote bedrijven bijna een zelfde vrijheid van onderzoek heerste als aan de universiteit. Gedreven door nieuwsgierigheid, curiosity-driven in het jargon, bevrijd van alle korte-termijn belangen, deden onderzoekers hun speurwerk. Het heeft heel wat bruikbaars opgeleverd. Ondanks dat succes is het vrije type onderzoek nu vrijwel geheel uit alle industriële laboratoria verdwenen. Aldus Andrew Odlyzko, computer-topman bij AT&T Bell, een van 's werelds zakelijke giganten. In een recent artikel 'The Decline of Unfettered Research' legt hij uit waarom. Het eind van de glorieuze dagen van de nieuwsgierigheid is een onontkoombaar gevolg van de ontwikkeling van wetenschap en technologie zelf. Niks aan te doen, zo gaat het gewoon.

Drie factoren worden genoemd. Op de eerste plaats is er de enorme toename in omvang van de wetenschapsbeoefening. Het 'volume aan kennis' is zeer groot. Vervolgens is er een gestadige, snelle vooruitgang in alle belangrijke technologiegebieden. En ten derde zijn er mogelijkheden als nooit te voren om bestaande kennis toe te passen.

Als de industrie niet meer nieuwsgierig wil of kan zijn, wordt de rol van de universiteit bij fundamenteel speurwerk steeds belangrijker. De relatie tussen industrie en academie zal daardoor sterker worden. Voor de universiteit levert dit een groeiend spanningsveld tussen vrijheid en gebondenheid.

Een lang leven heeft curiosity-driven onderzoek in de industrie nooit gehad. Voor de Tweede Wereldoorlog speelde het geen grote rol. Maar dan, in de oorlog, komen cruciale bijdragen van wetenschap en technologie. Atoombom, straalmotor, radar. Het ligt voor de hand dat wetenschap meer te bieden heeft. En zo groeit na de oorlog, vooral door de wedloop met de Sovjet Unie, de politieke en publieke steun voor wetenschap en technologie ongekend. Tussen 1945 en 1985 is de omvang van de wetenschapsbeoefening elke tien jaar ongeveer verdubbeld.

Aan die groei lijkt nu een eind te komen. Simpelweg omdat de toename van middelen voor ongebonden, vrij onderzoek in veel vakgebieden tot staan is gekomen, of achteruit gaat. Van vrij en ongebonden naar haastig en snel. Wat Herman van Veen al jaren geleden zong 'Opzij, maak plaats, we hebben een verschrikkelijke haast' is volgens Odlyzko nu het kenmerk van de industriële kennisverwerving geworden.

Hij geeft het volgende voorbeeld. In 1938 ontdekt Carlson het xerox-principe. De eerste Xerox-kopieermachine komt pas in 1950 op de markt. Jarenlang is er nauwelijks belangstelling voor deze technologie. Xerox kan op zijn gemak een verdere reeks belangrijke uitvindingen doen en octrooieren. Er is nauwelijks enige concurrentie. Als dan het succes doorslaat, kan Xerox meer dan twintig jaar lang de markt monopoliseren. Met groot profijt.

Wie nú op z'n gemak van ontdekking naar ontwikkeling wandelt, loopt grote kans de loef afgestoken te worden. Begin 1987 meldden Bednorz en Müller (IBM, Zürich) dat zij supergeleiding bij hoge temperatuur gevonden hadden. Het leverde voor beide IBM-geleerden de Nobelprijs op.

Even schitterde de ster van het ongebonden industriële onderzoek. Maar binnen enkele weken kwamen van andere, zowel universitaire als bedrijfslaboratoria (met name AT&T Bell) verdere belangrijke ontdekkingen. Als hoge-temperatuur supergeleiding een commercieel belangrijk gebied was geworden - tot nu toe nog niet gebeurd - had IBM nooit alleen kunnen profiteren.

De enorme competitie, en daamee de haast om zelfs als je niet de eerste bent toch te doen alsof - vaak met succes - schuift het vrije onderzoek in de hoek. In het huidige werkklimaat willen managers niet op ontdekkingen wachten, maar ze gewoon plannen. En dat kan, is de enigszins verbijsterende conclusie van Odlyzko. Het volume aan wetenschappelijk onderzoek is zo groot, dat die hypotheek best te nemen is.

Kijk maar naar de ontwikkeling van microprocessoren: 'chips'. Voor iedereen is duidelijk dat zonder chips de huidige technologie, en daarmee grote delen van ons dagelijkse leven en werken, evenvoudigweg niet zouden bestaan. Er zijn twee standaard types, RISC en CISC. De derde computergigant na IBM en AT&T Bell, Intel, domineert de markt met CISC. RISC-chips hebben het dubbele vermogen, ongeveer dezelfde prijs, en zijn dus beter. Maar nu komt het. Door zeer intensief, direct gericht onderzoek verdubbelt iedere 18 maanden het vermogen van zowel de CISC als de RISC chips. Overgaan op de betere RISC chips levert dus telkens slechts een 'winst' van 18 maanden. Minder dan de levensduur van computerapparatuur. Dat werkt dus niet. De klant blijft liever bij het vertrouwde produkt.

Conclusie? Ook al is er betere, 'nieuwe' kennis, de 'oude' kennis ontwikkelt zich zo razendsnel dat de nieuwe 'overbodig' is, boud gezegd. Daarmee heeft 'vooruitgang' een opmerkelijk ironisch getinte kleur gekregen. Volgens Odlyzko raken bedrijfsmanagers steeds minder opgewonden van de mogelijkheid dat vrij, curiosity-driven onderzoek belangrijke doorbraken kan leveren. Immers, de forse, succesvolle vooruitgang van het 'gewone' geplande onderzoek is minstens zo aantrekkelijk.

De genadeklap voor het curiosity-driven onderzoek bij de industrie gaat nu van het exploderende informatietijdperk komen, orakelt Odlyzko verder. Managers gaan er steeds meer van uit dat winstgevende produkten en diensten gebaseerd kunnen worden op kennis die 'vanzelf' wordt aangeboden of snel opzoekbaar is. Men kan als het ware zijn kaarten inzetten op de strategie: vele problemen zullen opgelost worden met telkens beschikbaar komende kennis. Waarom dan nog zelf bezig zijn met dat dure, onvoorspelbare, door louter nieuwsgierigheid gedreven wetenschappelijk onderzoek? De nieuwsgierigheid verplaatst zich. Van het zelf exploreren van onbekende gebieden, naar nieuwsgierigheid wat anderen zojuist gevonden hebben. Je zit er dan boven op, dankzij Internet. Zelfs nieuwsgierigheid is een virtuele bezigheid geworden. Alleen al daarover kan Youp van 't Hek nog jarenlang weeklagen.

Wie vult dan het Internet met nieuwe kennis? Geen zorgen: problemen blijven er altijd komen en die worden ad hoc - as they arise - opgelost. De 'trage massa' van de bestaande kennis duwt wel voldoende door. Odlyzko benadrukt nog eens dat het over industriële research gaat. Hij geeft toe dat voor lange termijn ontwikkelingen de nieuwsgierigheid van vandaag nodig is. En dat is dan echt iets voor brede onderzoekprogramma's op nationale schaal met 'substantial freedom for individual investigators'.

Gelukkig maar! Voor de echt nieuwsgierigen blijven er dus mogelijkheden. Op dit punt kunnen de universiteiten een 'nieuw contract' met industrie en overheid aangaan. Waarom ook niet, spreekt Odlyzko vrolijk. Ook voor de industrie is dat beter, 'without de priving investigators of the enjoyment of chasing at least some research rainbows'. Ver weg, kleurrijk, en toch een pot met goud voor de vinder, ooit.

Op het eind van de vorige eeuw dachten de meeste geleerden dat op basis van de klassieke mechanica de ontwikkeling van het heelal en alles wat daar in zit in principe vast zou liggen. Gewoon gedetermineerd, dus al het verdere was, als we maar nauwkeurig genoeg rekenden, voorspelbaar.

Poincaré heeft de eind-negentiende eeuwse denkers van deze droom afgeholpen. Nu, op het eind van deze eeuw zijn het de managers die denken dat we alles al weten. Het wachten is op de volgende grote Nieuwsgierige die ook deze droom verstoort.