Beren langs de snelweg

Waarom dweept de halve weldoorvoede wereld met het Internet en probeert de andere helft het zo snel mogelijk dicht te timmeren? Als je daar even bij stilstaat, blijkt al gauw dat het voor het grootste deel om irrationele overwegingen gaat - wat natuurlijk niet wil zeggen dat ze daarom niet geldig zouden zijn. Maar zoals altijd wanneer irrationele argumenten en ideeën de boventoon voeren, wemelt het van de misverstanden, mythen en welhaast mystieke retoriek.

Die misverstanden en mythen bestaan om twee redenen. Ten eerste worden gewoonlijk twee manieren van beschrijven door elkaar gehaald: structureel (waar bestaat het uit) en functioneel (wat kun je ermee doen, wat betekent het). Veel van de warrige discussies over wat kan, mag en moet in de virtuele wereld van pulsjes en stroompjes en veel van de overspannen verwachtingen zijn op die vermenging terug te voeren. Maar ook angstige paniek als die van de Beierse overheid, die het bedrijf Compuserve tijdelijk zo gek kreeg delen van het net voor hun gebruikers ontoegankelijk te maken. Ten tweede weten we niet goed in welke termen we over elektronische netwerken moeten denken. Over wat we niet rechtstreeks kunnen zien en begrijpen praten we in termen van dingen waarmee dat wel kan. Alleen daarom beschouwen we atomen als bolletjes, zonnestelseltjes, wolkjes. Gewoon omdat we ons een atoom niet als een atoom kunnen voorstellen.

Zo'n handig plaatsvervangend begrip heet een metafoor. Maar metaforen zijn gevaarlijke dingen: de verleiding om de verschillen tussen het eigenlijke ding en de metafoor over het hoofd te zien is groot, zodat we maar al te gemakkelijk eigenschappen aan dingen toekennen die alleen aan de metafoor toebehoren. Daarom is het zo belangrijk om metaforen zorgvuldig te kiezen: liefst een eenvoudig, concreet en bekend begrip, met duidelijke, goed begrepen eigenschappen.

Net-adepten hanteren nogal eens hele beroerde metaforen. Ze reppen van een gemeenschap, of zelfs een cultuur. Dat is onhanteerbaar wollig, en ook nog eens wishful thinking. Het suggereert allerlei prachtigs, zonder dat ooit duidelijk wordt wat dat prachtigs precies is. Bovendien zijn zulke metaforen gebaseerd op de betekenis, en betekenis is een slechte invalshoek als je wilt uitzoeken wat de eigenschappen ergens van zijn. De betekenis van iets nieuws en onbekends is immers onvoorspelbaar. Daarentegen is de vorm, de structuur van het net best begrijpelijk. Het is een enorme, wereldomspannende kluwen van aan elkaar geknoopte computers zonder kop of staart, waardoor pakketjes gegevens van hot naar haar kunnen vliegen. Zelf doet het netwerk niets met die gegevens. Zoals ze vertrekken, zo komen ze elders aan, tenzij ze onderweg een ongelukje krijgen. Dan komen ze verminkt aan. Onderweg passeren ze allerlei knooppunten, dat zijn computers in het netwerk.

De perfecte metafoor ligt zó voor de hand dat Al Gore hem al gezien had voordat hij vice-president werd: het wegennet, met zijn snelwegen, verkeerspleinen, rotondes, stoplichten en karrepaden. Het moderne wegennet als geheel is net zo kop- en staartloos als het Internet, ondanks dat in beide gevallen elke nieuwe verbinding voor een bepaald doel wordt aangelegd. Beide zijn zo dicht, dat altijd wel een verbinding tussen twee plaatsen open blijft, lokale stremmingen en stroomuitval ten spijt. Zelfs de beheersstructuur van het net komt keurig met die van de openbare weg overeen. Zoals er gemeentelijke straten zijn, provinciale wegen, rijkswegen en particuliere tolwegen zoals de Franse autoroutes, zo zijn de computers en de kabels die gezamenlijk het net vormen eigendom van duizenden verschillende instanties, bedrijven, overheden en wat dies meer zij, zonder dat ze met elkaar veel te maken hebben. De kern van de overeenkomst is het openbare karakter van het geheel: elk stukje weg en elke computerverbinding is bekostigd door en eigendom van een bepaalde eigenaar, maar het geheel staat voor iedereen open.

bytes. Structureel bezien is Internet dus minder nieuw of verrassend dan men vaak voorgeeft. Maar ook functioneel zijn de overeenkomsten met de aloude openbare weg groot. De raison d'être van het wegennet is verplaatsing. Wegen bestaan opdat wij spullen, mensen en ideeën naar andere oorden kunnen verplaatsen en verspreiden. Je kunt ook langs de weg gaan staan en wachten tot er reizigers langskomen die in je spullen, diensten of ideeën geïnteresseerd zijn. Dan heb je een winkel, een herberg of een uitspanning, een voorlichtingscentrum of misschien zelfs een kerk. In cyberspace is het al niet anders, met dien verstande dat de vervoersfaciliteiten van computernetwerken beperkt zijn tot niet-stoffelijke zaken: bits en bytes.

Geen computernetwerk zal ooit een rode kool bezorgen, alleen informatie kan erdoor. Maar wel zijn er reizigers en providers. Reizigers huren bij een provider een elektronische fiets (een account), of ze krijgen er één van hun werkgever, en laten al rijdend hun oog dwalen langs de wegen van het net, op zoek naar interessante diensten en ideeën in winkels elders aan het net, of misschien een gezellig café of een leuke hobbyclub. En langs de wegen van het net hebben net als in het echt winkeliers, predikers, bedrijven, caféhouders, toneelgezelschappen, charlatans en hoeren hun tenten opgeslagen. Soms zijn het geïsoleerd liggende weidewinkels. Dat zijn de sites van grotere bedrijven, die een eigen computer rechtstreeks op het net hebben aangesloten. Maar meestal liggen de winkeltjes in een dorp of stad, een winkelcentrum. Dat is de computer van een provider, die winkelruimte verhuurt aan ieder die het betalen kan. Tussen die winkels zit altijd wel een babbelbox, een café waar je oeverloos kunt kletsen (zelf drank meebrengen). En in de buitenwijken vindt je de hobbyclubs, ofwel nieuwsgroepen.

En dan heb je nog de on-line services, zoals Compuserve en America On Line. Zij zijn de elektronische variant van de omheinde en bewaakte villaparken die in Amerika wel aantreft. Je hoeft er nauwelijks uit, ze zijn van veel gemakken voorzien. Maar er staat wel een bewaker bij het hek, die er, zoals onlangs bleek, bij Compuserve niet alleen is om onbevoegden buiten te houden. Wie eruit wilde, het Internet op, moest eerst opgeven waar hij heen ging, en was dat een hobbyclub die iets met seks te maken had, dan ging het feest niet door.

Over elke weg wordt verboden en gestolen waar vervoerd, en langs elke weg staat wel een etablissement waar het duister toegaat. Zo is het ook op Internet. Maar niets wordt ongevraagd geboden. Wie onfrisse zaken tegenkomt is zelf op zoek gegaan. Meer nog dan in de echte wereld, want de bewegwijzering van het wegennet is heel wat beter, en de reclameborden van Miep Brons' erotheek zijn heel opdringeriger dan wat we op Internet gewend zijn.

    • Rik Smits