'Alija mag niet de baas worden over dit graf'

SARAJEVO, 18 JAN. Danitsa Kuvac rust niet in vrede. In 1988 is zij begraven op het gemeentelijke kerkhof van Sarajevo, nadat zij op 66-jarige leeftijd een fatale hartaanval had gekregen. Gisteren heeft Jovan Despotovic zijn schoonmoeder weer opgegraven. Het kerkhof ligt immers in de Servische gemeente Ilidja, die volgens de vredesakkoorden van Dayton onder bestuur van de moslim-Kroatische federatie komt te vallen. “Ik kan niet toestaan dat Alija [Izetbegovic, de Bosnische president] de baas wordt over de grond waarin mijn schoonmoeder ligt”, zegt de 56-jarige machinist, leunend op zijn spade, met een glaasje slivovic in de hand. “Hier hebben de laatste 700 jaar Serviërs gewoond.”

Het kerkhof in Ilidja is aangelegd toen de Joegoslavische federatie nog bestond. Het is ingedeeld in vieren: een sectie voor Kroaten, een voor moslims, een voor Serviërs en een voor niet-religieuzen, zeg maar communisten. In de Servische afdeling bevinden zich tientallen verse lege plekken. De jongste gedenkstenen in de moslim-sectie dateren uit 1992; daar is nog veel ruimte over.

Enkele honderden Serviërs in de omgeving van Sarajevo hebben hun dierbare doden de afgelopen twee weken naar veiliger oorden verhuisd. Zij zijn bang dat moslims de graven zullen vernielen of dat het komende moslim-bestuur op zijn minst bezoek onmogelijk zal maken. Daarom laadt Despotovic zijn schoonmoeder en de grafsteen waarin haar gezicht is uitgefreesd op een aanhangwagentje. Na nog een glaasje gaat hij op weg naar Rogatica, in het oosten van Bosnië. Daar zijn geen moslims (meer).

“De Kerk verbiedt het opgraven”, zegt priester Monir Vasiljevic, die een van de twee orthodoxe parochies van Ilidja leidt. “Als die heilige grond is verstoord kunnen ziel en lichaam bij de Wederopstanding niet samen naar de hemel gaan. Anderzijds is het begrijpelijk dat een oude weduwe haar enige zoon die in de oorlog is gestorven wil meenemen. Zijn graf is vaak alles wat zij nog heeft. Daarom heeft de Kerk begrip voor de moeilijke positie van de Serviërs.”

De 150.000 Serviërs van Sarajevo zijn bang dat de stadsbewoners zich komen wreken voor hun vierjarige isolement, de bombardementen en de gruwelen die onder Servische vlag elders in Bosnië zijn bedreven. Of op zijn minst vrezen zij dat moslims die in het begin van de oorlog uit de buitenwijken zijn verdreven hun oude huis weer willen bewonen. Internationale bemiddelaars en de Bosnische regering hebben de Serviërs opgeroepen te blijven, maar dat krijgt weinig weerklank. Uit Vogosca, Grbavica en Ilidja - drie van de wijken die volgens 'Dayton' moeten worden overgedragen - is een uittocht van mensen en materiaal op gang gekomen.

De Serviërs zijn niet van plan voor de komende machthebbers iets van waarde achter te laten. Daarom halen zij zowel fabrieken als woonhuizen leeg. Aan de poort van de Cilimara-tapijtfabriek wordt nog een weefgetouw op een vrachtauto geladen, de rijwielfabriek Lasta ('Zwaluw') is al leeg. Wie geld nodig heeft en niet van plan is terug te keren verkoopt zijn televisie of ijskast op de zwarte markt van Kiseljak aan de Kroaten. Het merendeel van de 25.000 inwoners van Ilidja brengt kinderen en roerende goederen elders op Servisch gebied in veiligheid. Daarna keren zij terug om in Ilidja de kat uit de boom te kijken.

Op de weg langs het vliegveld, die Ilidja met de rest van Bosnisch Servië verbindt, staan ze de hele dag in de file: trucks vol tapijten en bankstellen in het bruine deel van het spectrum, bussen, personenauto's met een imperiaal vol kinderfietsjes of een aanhangwagen met een keukenblok. De nummerplaten zijn er maar in twee soorten: met de letters SA en een rode ster, het oude kenteken van Sarajevo, of met twee cyrillische C's, kort voor Srpsko Sarajevo.

“Tegen de tijd dat ik terugkom zal het er hier wel uitzien als Vukovar [verwoest tijdens de Servisch-Kroatische oorlog in 1991]”, roept een chauffeur door een kier van zijn portierraampje. “Ik kom pas weer terug als de wereldleiders de Serviërs in hun eigen wijken hun eigen politie hebben gegeven, en tot die tijd vertrouw ik het niet”, zegt een ander. “Dit doen Clinton, Jeltsin en Milosevic de Serviërs aan, ze behandelen ons als beesten.”

Boro Petricovic staat aan de overkant van de weg in een file tegenliggers met lege imperiaals, lege laadbakken en lege aanhangers. Hij is in Vlasenica een huis gaan zoeken voor zijn vrouw en kinderen, maar heeft geen succes gehad. “Iedereen vertrekt uit Ilidja, dus wij ook. Ik weet alleen nog niet waarheen”, zegt hij.

Vooralsnog passen de Serviërs niet de tactiek van de verwoeste aarde toe. Zij ontkennen dat vertrekkende bewoners hun huizen massaal achter zich in brand steken. En daarvan valt in Ilidja ook niets te zien. Het brandje in een appartement waarvan vorige week televisiebeelden de wereld rondgingen zou aan een gewoon ongeluk te wijten zijn. De internationale vredesmacht IFOR neemt echter het zekere voor het onzekere. Franse troepen bezetten deze week vier distributiepunten van gas, water en elektriciteit om, zoals zij verklaarden, “een ongehinderde voorziening van deze essentiële voorzieningen te garanderen”. IFOR is bang dat Serviërs er een bom zouden plaatsen.

Een kleine minderheid zegt onvoorwaardelijk in Ilidja te blijven: mensen met familieleden aan 'de andere kant', de allerarmsten die geen verhuizing kunnen betalen, de handelaar die tijdens de oorlog aan twee kanten goede zaken heeft gedaan, en degenen die blijven uit overtuiging, om aan te tonen dat moslims en Serviërs wel degelijk een poging tot samenleven kunnen doen.

Tot de laatste groep behoort gemeentesecretaris Zeliko Jokic. Hij heeft een vrouw en twee kinderen en verwacht dat de Serviërs garanties krijgen dat de moslims hen niet zullen verdrijven. Hij hoopt dat het Servische bestuur in Ilidja in elk geval tot de verkiezingen - tussen juni en september te houden - in functie kan blijven, en dat de Serviërs de beschikking krijgen over een eigen politiemacht. Dat zou de twijfelaars kunnen overhalen te blijven. Er zijn geen officiële tekenen die op concessies wijzen, maar informeel overleggen moslims, Serviërs en Kroaten druk om de marges van 'Dayton' op te rekken.

“Het belangrijkste is om nu geen paniek te zaaien”, zegt Jokic. “De mensen zijn bang en verward. Het is moeilijk hun advies te geven. Als we zeggen dat ze moeten gaan, kunnen we ze niet garanderen dat ze goed terechtkomen, en als we ze vragen te blijven, kunnen we niet garanderen dat het goed zal gaan. We moeten opnieuw leren samen te leven met de moslims, maar dat kost tijd.”

Ljubo Bosiljcic blijft ook in Ilijas. Hij is lid van het Bosnisch-Servische parlement in Pale en maakt deel uit van de SDS, de partij van Radovan Karadzjic. “Hij is de president maar het is niet zijn partij”, zegt Bosiljcic. Hij heeft enorme bakkebaarden, declameert Heinrich Heine, en is even hoog als breed; in zijn borst kunnen gemakkelijk twee zielen wonen. De eerste roept dat hij 'Alija' in het parlement heeft horen zeggen dat hij “desnoods de vrede wil opofferen voor soevereiniteit” en beantwoordt elke vraag over Servische oorlogsmisdaden met een tegenvraag over het onrecht dat de Serviërs al 700 jaar wordt aangedaan. De andere ziel zegt dan dat etnisch gezuiverde staten geen toekomst hebben en dat Karadzjic zich voor het oorlogstribunaal in Den Haag moet verantwoorden in het belang van het Servische volk.

“De slechtste vrede is nog beter dan oorlog”, zegt Bosiljcic in zijn oude huis aan een kilometerslange platanenlaan aan de voet van de berg Igman. “Alleen wie de oorlog van nabij heeft meegemaakt weet wat de prijs van vrede is. De hoge politicus die ver van het front woont, kent die niet. Die voert oorlog over andermans rug. Dat is hier in Bosnië gebeurd.”

Weet Ilidja wat oorlog is? De paar maanden dat het voorstadje zelf zonder stroom en gas heeft gezeten steken wat mager af tegen wat Sarajevo sinds 1992 heeft doorgemaakt. Veel inwoners zeggen niet te weten dat in Sarajevo vrijwel elk huis beschadigd is. Misschien weten ze het echt niet; hoewel de weg formeel open is durven de Serviërs van Ilidja er niet te gaan kijken. De enkeling die dat wel heeft gedaan, zoals de 19-jarige Nada, zegt dat Sarajevo nog steeds “een prachtige stad” is. Ze was er een beetje bang, zegt ze, maar het voelde toch “als een droom”. Misschien gaat ze binnenkort weer, om oude vrienden op te zoeken. Nada blijft voorlopig.

Brane, een arts die in de file bij het vliegveld staat, maakt zich geen illusies meer. Op de vraag wat het kostbaarste is dat hij meeneemt hoeft hij niet lang na te denken. Hij drukt de toppen van tien gestrekte vingers op zijn borst. “Ikzelf”, zegt hij.

Net goed, laat ze alsjeblieft opkrassen, is de overwegende reactie in Sarajevo-centrum. Dat het na een definitieve exodus van Serviërs moeilijk wordt te spreken van een multi-etnisch Sarajevo, zoals de regering graag doet, kan de stadsbewoners weinig schelen. “De Serviërs kunnen zelf kiezen of ze gaan of niet. De inwoners van Srebrenica en Zepa hadden die keuze niet”, zegt een inwoner.

    • Hans Steketee