Aantal uitstrijkjes wordt uitgebreid

ROTTERDAM, 18 JAN. Het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker wordt uitgebreid naar jongere en oudere vrouwen. Alle vrouwen tussen de 30 en 60 jaar krijgen voortaan een uitnodiging om een uitstrijkje te laten maken. Tot nu toe werden alleen vrouwen tussen de 35 en 55 jaar opgeroepen. De frequentie van de oproep wordt verlaagd naar eens in de vijf jaar. De controle was tot nu toe driejaarlijks. Ruim 600.000 vrouwen zullen jaarlijks een oproep krijgen.

Huisartsen en gynaecologen zijn het er verder over eens dat ze bij vrouwen zonder klachten buiten het bevolkingsonderzoek om geen uitstrijkjes meer zullen maken. Veel vrouwen laten routinematig elk jaar of eens in de twee jaar een uitstrijkje maken. Dit is volgens de Ziekenfondsraad kostenverhogende onnodige diagnostiek omdat baarmoederhalskanker een langzaam groeiende tumor met een jarenlang herkenbaar voorstadium is.

Het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker werd sinds 1988 landelijk georganiseerd. In het decennium daarvoor waren er op een aantal plaatsen proefprojecten. De opkomst was vrij laag doordat veel vrouwen al regelmatig een uitstrijkje lieten maken en vrouwen worden opgeroepen bij wie de baarmoeder is verwijderd. Andere vrouwen willen of mogen zich niet laten onderzoeken, of kunnen de uitnodiging niet lezen. De laatste twee factoren bepalen vooral de geringe deelname van allochtone vrouwen aan het onderzoek. In de nieuwe opzet streeft de Ziekenfondsraad naar een deelname van 70 procent van de autochtone en 25 procent van de allochtone vrouwen.

Jaarlijks sterven nog 300 vrouwen aan baarmoederhalskanker. In 1992 werd bij 763 vrouwen baarmoederhalskanker vastgesteld: 28 vrouwen waren jonger dan 30 en 253 ouder dan 60. Het overlijdensrisico van patiënten boven de 60 daalt in de toekomst toch, omdat baarmoederhalskanker traag ontstaat en de voorstadia meestal al zichtbaar zijn als de oudere vrouwen nog in het screeningsprogramma zitten.

Ten opzichte van andere kankers bij vrouwen is baarmoederhalskanker met ongeveer 750 gevallen geen grote ziekte- of doodsoorzaak. Borstkanker wordt bijna 10.000 keer per jaar gediagnostiseerd, darmkanker 2.800 keer, longkanker 1.500 keer en baarmoeder- en eileiderkanker ieder bijna 1.300 keer.

Toch is er een bevolkingsonderzoek opgezet omdat screenen op deze vorm van kanker makkelijk is, de tumor langzaam ontstaat en meestal met succes operatief te genezen is. Bij het maken van een uitstrijkje schraapt de arts met een spatel of borsteltje wat cellen weg bij de overgang tussen vagina en baarmoeder en strijkt die uit op een microscoopglaasje. In het pathologisch lab wordt vervolgens naar afwijkende cellen gezocht. Volgens dr.J.D.F. Habbema, hoogleraar medische besliskunde aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam, is tijdens het vroegere bevolkingsonderzoek een daling van de sterfte waargenomen, maar is het door het ontbreken van goed onderzoek onzeker of die daling het gevolg was van het bevolkingsonderzoek.

Habbema wijst erop dat bij een bevolkingsonderzoek altijd een balans moet bestaan tussen de baten (het aantal gevonden tumoren en geredde levens) en de lasten die vrouwen ondervinden als ze worden behandeld voor een voorstadium dat misschien toch wel weer vanzelf zou zijn verdwenen.

Bij de ontwikkeling van een voorstadium naar een echte tumor speelt waarschijnlijk besmetting met enkele typen humaan papillomavirus een rol. Prof.dr.C. Meijer en dr.J. Walboomers, twee aan de Vrije Universiteit in Amsterdam verbonden pathologen die onderzoek doen naar de rol van papillomavirus, hebben erop aangedrongen om verdachte uitstrijkjes ook te screenen op het papillomavirus.