250.000 Turken hebben Tsjetsjeense achtergrond

ANKARA, 18 JAN. Sinds perestrojka en glasnost hun intrede deden in de toenmalige Sovjet-Unie zijn de relaties tussen de bewoners van de Kaukasus - in Turkije wordt de verzamelnaam Circassiërs gebruikt - en hun rond drie miljoen bloedverwanten in Turkije verstevigd. Dit proces heeft zich verder ontwikkeld naarmate de openheid in Moskou vorderde, het communisme wankelde en de Sovjet-Unie uiteindelijk uiteenviel.

De burgeroorlog in Abchazië en de vrijheidsstrijd in Tsjetsjenië hebben dat proces verder versterkt. De ontwikkelingen in deze autonome republieken zijn een bevestiging van het bewustzijn onder de mensen in de diaspora dat ze wel degelijk een eigen identiteit hebben. Bovendien verenigt het alle Kaukasiërs in Turkije. De emotionele betrokkenheid van de jongeren met wat ze beschouwen als hun vaderland is groot. Sommigen zeggen pas op school Turks te hebben geleerd; anderen hebben zelfs geen Turkse vrienden. Niet dat ze zich een vreemde voelen in de Turkse samenleving, maar op de een of andere manier zijn ze toch anders. Voor de jongeren in de steden vormt bijvoorbeeld de Culturele Vereniging voor Noord-Kaukasus, met 43 afdelingen verspreid over Turkije, dan ook een eigen eilandje te midden van een gemeenschap die zich niet direct het hoofd breekt over culturele en etnische verschillen.

Toch ontvluchtten hun voorouders uit angst voor de Russische inlijving al in 1868 de Kaukasus. De meesten, Abchaziërs, Adzjariërs en Tsjetsjenen, weken uit naar wat toen het Ottomaanse Rijk was. In het huidige Turkije zijn de grootste concentraties nog steeds te vinden in Centraal- en Oost-Anatolië en de noordwestelijke provincie Marmara. Er zijn in deze regio's dorpen waar de etnische achtergrond van de bevolking vrijwel ongewijzigd is gebleven in de afgelopen 130 jaar. Adapazari, een stadje onder de rook van Istanbul, is het symbool van de gemeenschap Abchaziërs die Turkije telt. Adapazari en Soechoemi, de hoofdstad van Abchazië, zijn zelfs zustersteden.

De Turkse gemeenschap met een Tsjetsjeense afkomst wordt op 250.000 geschat. Er wordt zelfs beweerd dat het Tsjetsjeense verzet vanuit een kantoorgebouwtje in Istanbul wordt geleid. Muhammed Emin Tokcan, de leider van de kapers op de Turkse veerboot in de Zwarte Zee, komt evenals vier van zijn kameraden uit Düzçe in de provincie Bolu, tussen Istanbul en Ankara. Hij sloot zich in 1992 bij de Tsjetsjeense rebellenleider Basajev aan, waarna hij eerst in Abchazië en vervolgens in Tsjetsjenië de wapens oppakte. Onlangs keerde Tokcan naar Düzçe terug, waar hij als timmerman werkte. Zijn haat tegen de Russen werd nog verder versterkt na de dood van zijn verloofde, een Tsjetjeense die bij een Russische aanval om het leven kwam.

Tokcan behoort tot de honderden Turken van Kaukasische afkomst die zich de afgelopen jaren actief in de vrijheidsstrijd hebben opgesteld. Voor vele anderen geldt dat hun hart op de Kaukasus is, maar dat praktische problemen, als de slechte levensomstandigheden in dit deel van Rusland, hen ervan weerhouden om terug te keren.

De Turkse regering stelt zich, ondanks de sympathie van een groot deel van de Turken voor de moslims op de Kaukasus, voorzichtig op, terugvallend op het politieke cliché dat men de soevereiniteit van andere landen respecteert. Bovendien wenst Ankara Moskou, gezien de gevoelige relaties, niet onnodig tegen zich in het harnas te jagen. Rusland is er van overtuigd dat Turkije er op uit is zijn invloed in de 'onderbuik van de voormalige Sovjet-Unie' te verstevigen. Een gebied dat Moskou nog steeds tot de eigen invloedssfeer rekent. Turkije en Rusland zijn bovendien geduchte concurrenten in de strijd om het vervoer van olie, met name uit Azerbajdzjan.

Tevens wil Ankara voorkomen dat de etnische verschillen in de regio zich naar Turkije verplaatsen. Maar in wezen heeft dat proces zich al voltrokken. De culturele verenigingen zijn nu de politieke spreekbuizen van de verschillende groeperingen op de Kaukasus. Tegelijkertijd eisen de Kaukasiërs in Turkije zelf nu ook meer rechten als een verruiming van de mogelijkheid om de eigen taal te spreken en boeken, tijdchriften en kranten te publiceren en eigen scholen te stichten. Eigenlijk zou men het liefst als officiële minderheid willen worden erkend in Turkije.

    • Froukje Santing