Privacy kent geen grenzen

Van wie is eigenlijk de ruimte tussen de benen van een paard? Is die ruimte voor iedereen toegankelijk en beschikbaar? Het paard vindt van niet. Het vindt dat die ruimte van hem is en zal alles wegschoppen wat daar naar zijn mening niet thuis hoort. Bij de mens is dat niet anders. Als u, handen op de rug en wijdbeens, op de bus staat te wachten, zal u niet dulden dat een mede-passagier zijn diplomatenkoffertje in afwachting van de bus zolang tussen uw benen op de grond zet. Die ruimte behoort bij de mens, maakt als het ware deel uit van zijn lichaam.

Het lichaam van de mens eindigt en begint dus niet bij de huid. Er is een onstoffelijk deel van de mens dat hem als het ware omhult. Dat deel is door Frans Veldman, de grondlegger van de haptonomie in Nederland, het gevoelde lichaam genoemd, een term die goed aansluit bij het begrippenkader van de haptonomie, de leer van de tastzin en het gevoel. Als artikel 11 van onze Grondwet de integriteit, de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam waarborgt is het duidelijk, dat daarmee alleen het vleselijke en niet het onstoffelijke, het gevoelde lichaam kan zijn bedoeld.

Dat gevoelde lichaam is een uitermate complex begrip met vele onzekerheden. Het heeft allereerst een materiëel aspect. In een overvolle tram, waar de mensen opgepropt tegen elkaar staan aangedrukt is het gevoelde lichaam bijna tot nul gereduceerd. In een bijna lege tram voelt men iedere onnodige nabijheid van een onbekende mede-passagier als bedreigend of hinderlijk. Het gevoelde lichaam heeft ook een immateriëel aspect en als wij het daarover hebben zijn de problemen nauwelijks te overzien. Dit immateriële gevoelde lichaam duiden wij veelal aan met het begrip privé-levenssfeer of privacy. Het vindt in zeer algemene termen bescherming in artikel 10 van de Grondwet en in een tweetal verdragen.

Vele malen heb ik het belang bij eerbiediging van iemands privacy moeten afwegen tegen belangen van andere burgers, van de media en van de overheid, met als gevolg dat het begrip privacy mij steeds vager en moeilijker te hanteren is gebleken. Het gaat er om, uit te maken of anderen er aanspraak op kunnen maken gegevens over ons te bezitten en daar iets mee te doen (bij voorbeeld publiceren of een strafvervolging instellen). Met andere woorden: het gaat erom, af te bakenen in hoeverre ons de zeggenschap toekomt over informatie over ons, die wij voor onszelf willen houden.

Weliswaar heeft de Hoge Raad een aantal criteria ontwikkeld die men bij dit soort afwegingen in aanmerking moet nemen, maar die zijn noodzakelijkerwijs in algemene termen gesteld. Een voor de praktijk bruikbare definitie van het begrip privacy is nauwelijks te geven. De enige definitie die ik heb kunnen vinden is afkomstig van S.D. Warren en L.D. Brandeis in een meer dan honderd jaar geleden geschreven artikel in de Harvard Law Review van 15 december 1890. Zij luidt: “Het recht om met rust gelaten te worden”. Ik ontleen dit gegeven aan een boekje met die titel (Balans 1991) van de hand van Frank Kuitenbrouwer, redacteur van deze krant. Veel verder helpt deze definitie ons echter niet.

Onlangs moest ik een recept ophalen uit het kastje naast de voordeur van de dokter. Daarin lag een heel bundeltje recepten, waaruit ik het mijne moest zoeken. Zou ik dat hebben gewild, dan had ik mij uitvoerig kunnen informeren over de gezondheidstoestand van mijn mede-dorpelingen. Kort daarvoor ging ik even naar het postkantoor. Ik leunde tegen de balie, circa twee meter van een heer die vóór mij aan de beurt was. “Wilt u alstublieft achter de gele streep wachten”, sprak de postbeambte. Terwijl ik mij geschrokken en schielijk terugtrok, hoorde ik nog juist hoe die man tien postzegeltjes van tachtig cent bestelde. Een minuut of wat later zag ik de man weer bij de apotheek en opnieuw was hij eerder aan de beurt dan ik. Geen gele streep te bekennen. En zo hoorde ik mijns ondanks de assistente vragen: “Zijn deze plaspillen voor uzelf of voor uw vrouw ?”

De beschermingsomvang van het recht om met rust gelaten te worden is niet eenvoudig vast te stellen. Zij is sterk afhankelijk van de omstandigheden. Maar ook bij voorbeeld van de positie die iemand in de samenleving inneemt en van het belang van hetgeen men te weten wil komen of juist verborgen wil houden. 'Wie aan de weg timmert heeft veel bekijks' en 'hoge bomen vangen veel wind'. Het zijn bekende spreekwoorden, maar zij helpen ons niet veel verder bij het bepalen van de grenzen. Het is voor mij zelfs de vraag of men van grenzen kan spreken. Een grens immers veronderstelt, dat men alle beslissingen in individuele afwegingen met elkaar kan verbinden, waardoor men in staat is in die afwegingen een systeem te ontdekken. Zo zou iedereen, ook bij voorbeeld de media, in staat zijn te bepalen welke inbreuken op de privacy-belangen van de burger nog net toelaatbaar zijn.

Die grens is er niet. De rechtspraak zal nooit verder kunnen komen dan een afweging in ieder individueel geval. Een risico daarvan is ongetwijfeld dat de burger misbruik kan maken van de hem door wet en verdrag geboden privacy-bescherming indien hij daardoor zaken die het daglicht niet kunnen verdragen geheim weet te houden. Dit risico is echter verre te verkiezen boven de zekerheid van een gefixeerde grens.

Zo'n grens zou gemakkelijk kunnen verworden tot een vorm van censuur. De voorbeelden van landen waar volstrekt en voor een ieder duidelijk is wat wel en wat niet mag, lokken niet tot navolging. Ik denk dan ook dat de bescherming van de privélevenssfeer veeleer een politieke dan een juridische kwestie is. De onzekerheid op het terrein van de privacy-bescherming is de prijs die wij voor onze vrijheid in een democratische samenleving moeten betalen.

    • B.J. Asscher