Justitie is niet zo scheutig met excuusbrieven of miljoenen

AMSTERDAM, 17 jan. Er bestaat een apocriefe cartoon uit de jaren zestig waarop een rechter zich tot een hippie in het beklaagdenbankje richt met de woorden: “Verdachte, ik spreek u vrij, maar ga daar buiten nu niet op pochen.” Eenzelfde zuinigheid spreekt uit de afloop van de zaak tegen twee Amsterdamse journalisten in verband met aanslagen door de geheimzinnige RaRa-beweging.

Hun spullen zijn in beslag genomen, ze zijn vastgezet en verhoord, de justitie heeft hen openlijk in de verdachte hoek geplaatst, maar na ruim een jaar hebben ze dan toch officieel bericht gekregen van de officier van justitie in Den Haag dat van vervolging wordt afgezien bij gebrek aan bewijs. Een excuus voor het ongemak kon er echter niet af.

De journalisten eisen nu een half miljoen schadevergoeding wegens gederfde inkomsten, advocatenkosten en immateriële schade. Justitie kan dit overigens voorkomen met “een simpele excuusbrief”. Dat ligt minder eenvoudig dan het lijkt, zo blijkt uit een verklaring van het Haagse parket. Waar moet men zich voor verontschuldigen? Een woordvoerder onderstreept dat geheel volgens de regels van de strafvordering, inclusief rechterlijke controle, is geopereerd. Dat tenslotte toch van strafvervolging is afzien “hoort bij het vak”.

De claim van de twee journalisten is overigens niets vergeleken met de bedragen waarmee de naar de Antillen geëmigreerde “bedrijvendokter” Van den Nieuwenhuyzen wappert. Deze week concludeerde het Amsterdamse openbaar ministerie zelf tot vrijspraak in een nieuw proces tegen de zakenman wegens gebruik van verboden voorwetenschap op de beurs, de zogeheten RDM-zaak. Een eerdere voorkennis-zaak in verband met het bedrijf HCS dient binnenkort na een kritische uitspraak van de Hoge Raad voor het gerechtshof in Den Haag. Zeker als ook deze strafzaak met een sisser afloopt, kan de staat volgens Van den Nieuwenhuyzen een claim van “honderden miljoenen” verwachten.

Met name bij witte-boordencriminaliteit is het strafrecht al eerder een riskant instrument gebleken. De eerste de beste groots opgetuigde fraudezaak, gericht tegen topmensen van de Rotterdamse bank Slavenburg, eindigde in de jaren tachtig met een anticlimax: de geëiste onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen werden niet gehonoreerd. De al even spraakmakende zaak-Masson (Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds) liep in hoger beroep zelfs uit op complete vrijspraak. Vorig jaar werd oud-burgemeester Riem van Brunssum door de rechtbank in Maastricht in eerste aanleg op alle punten vrijgesproken van corruptie.

Niet alleen de moderne fraude vormt een beweeglijk doelwit. De berechting van de geruchtmakende IRA-moordaanslag in Roermond strandde op twijfels over de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. Eerder liep het proces tegen RaRa-verdachte René R. in hoger beroep stuk op een vormfout bij de huiszoeking.

Kern van het probleem van de schadevergoeding is dat er een marge zit tussen de verdenking die aanleiding is voor een strafrechtelijk onderzoek en de eisen die worden gesteld aan een strafrechtelijke veroordeling door de rechter. Er zijn twee bezwaren tegen een automatische vergoeding:

Voor politie en justitie is vaak moeilijk te verteren dat optreden dat op het moment zelf volgens het boekje is (en soms zelfs geboden is), achteraf het etiket van onrechtmatigheid krijgt opgelegd.

Bovendien, zo noteert het bekende handboek-Minkenhof, “zou het rechtsgevoel van de burgerij kunnen worden geschokt wanneer aan handige lieden die juist door de mazen van de wet waren heengekropen, nog een premie op hun listigheid zou worden verleend”.

De keerzijde van deze medaille is het gevaar dat er twee klassen van niet-veroordeelden ontstaan, zij die voor onschuldig worden gehouden en anderen waar toch nog een vlekje aan zit. De wetgever heeft het probleem omzeild door alles over te laten aan de rechter. De enige eis is dat deze rekening houdt met “alle omstandigheden” naar billijkheid. Maar ook de rechter heeft te maken met het grondbeginsel dat elke burger voor onschuldig dient te worden gehouden zolang zijn schuld niet wettig is bewezen.

De Nationale Ombudsman vindt dat er geen ruimte is voor onderscheid: wie buiten vervolging is gesteld, geldt als onschuldig en zal schade vergoed dienen te krijgen. In deze opvatting is er hooguit ruimte voor het weigeren van vergoeding indien een verdachte door een opzichtige procedurefout de dans ontspringt terwijl er toch voldoende bewijs tegen hem voorhanden is. In de praktijk verdisconteren rechters ook de houding van de verdachte, bijvoorbeeld het afleggen van tegenstrijdige of leugenachtige verklaringen. In de IRA-zaak werd een vergoeding zelfs afgewezen omdat de verdachte zich voortdurend had beroepen op zijn, wettelijk erkende, zwijgrecht.

De Hoge Raad toonde zich in een arrest van 23 december 1994 zuiniger dan de ombudsman. Het ging om een makelaar die was opgepakt op verdenking van oplichting die achteraf niet hard kon worden gemaakt. De Hoge Raad vernietigde een toegekende vergoeding van vierduizend gulden. Het hoogste rechtscollege vond dat er wel degelijk onderscheid is tussen gevallen waarin de onschuld van de verdachte uit het strafdossier zelf blijkt en gevallen van buitenvervolgingstelling waarin dit niet het geval is.

De publiciteit vormt steeds meer een eigen factor in dit soort zaken. Met name in de fraudebestrijding is het mobiliseren van de publieke opinie gebruikt als onderdeel van de justitiële strategie, signaleerde het criminologenechtpaar Brants enkele jaren geleden in een gezamelijk proefschrift over de aanpak van witte-boordencriminaliteit. Van den Nieuwenhuyzen sprak maandag rond de rechtszitting van een “moedwillige en gerichte actie” tegen hem, niet alleen van beursfunctionarissen maar ook van de behandelende Amsterdamse officier van justitie, zijn oude Nemesis Van Nierop. “Ik vind dan ook dat dit bij bewezen onschuld mijnerzijds consequenties moet hebben”.

Die “bewezen onschuld” vormt een veelbetekenende knipoog naar het arrest van de Hoge Raad uit 1994. De klacht van de twee Amsterdamse journalisten is niet in de laatste plaats dat hen door beslissing van de Haagse officier van justitie de gelegenheid wordt onthouden hun naam bij de rechter te zuiveren. Volgens advocaat-generaal Mok van de Hoge Raad maakt het voor schadevergoeding overigens niet uit of een zaak wordt gestopt door de rechter dan wel door de officier van justitie. Voor de publiciteit zou dat wel eens anders kunnen liggen. De vraag is in hoeverre justitiële bluf geoorloofd is om een juridisch zwaktebod te overschreeuwen.