'Ik had nooit goed opgelet bij colleges over oorlogswonden'

GORNJA SAPNA, 17 JAN. Dzelil Korkut (28) is sinds het begin van de oorlog in Bosnië in 1992 arts in het veldhospitaal van Gornja Sapna, vlak achter de linies van het Bosnische regeringsleger aan het noordoostelijke front tussen Tuzla en Zvornik. Het hospitaal, net buiten het gezichtsveld van een Bosnisch-Servische artilleriepositie, is een woonhuis waarvan de ramen met zandzakken en boomstammen zijn gebarricadeerd. Sinds twee maanden vallen er geen granaten meer. In dit gebied wonen 15.000 mensen. Er zijn vier artsen, die elkaar afwisselen. Dit is Korkuts verhaal.

“Het is jammer dat ik in 1992 mijn videocamera in Zvornik heb moeten achterlaten. Van oorlogsverwondingen kende ik alleen de theorie maar nu zou ik er een aardig college over kunnen geven. Ik heb duizenden wonden gezien, van granaten, landmijnen, kogels. En niet één wond was hetzelfde.

“In het najaar van 1993 waren de omstandigheden hier het slechtst. De granaten wekten je om vijf uur 's ochtends en opeens waren er dan twintig gewonden: mannen, vrouwen, kinderen. Op slag. En je weet niet wie je het eerst moet behandelen. Er was geen transport naar Tuzla, geen stroom, geen water, geen brandstof. Op zulke dagen moest ik meestal zo'n vijftig gewonden behandelen.

“In 1994 en 1995 vielen hier tussen de vijf en tien doden per dag. Eind 1994 nam het aantal gedode burgers een beetje af. De Serviërs waren toen minder maniakaal dan een jaar daarvoor. Toen vuurden ze bijvoorbeeld granaten af op vrouwen die ze op het veld zagen werken.

“Op 17 april 1995 vielen hier in de tuin twee granaten. Alle ramen vlogen eruit. Twee gewonden op de behandeltafel raakten toen voor de tweede keer gewond.

“Als ik bezig ben probeer ik mijn emoties weg te duwen, maar ik erken dat er drie of vier gevallen zijn geweest waarbij ze wel werkten. Zoals bij de man wiens ogen en zijn hele gezicht door een granaatscherf waren weggeslagen. En bij het meisje van twee jaar dat in 1993 werd gedood door een sluipschutter toen ze voor haar huis speelde. Met één kogel in de borst. Ze was het mooiste kind dat ik ooit heb gezien.

“Ik heb geen nachtmerries. Misschien dat het over 25 jaar opeens terugkomt. Ik vermoed dat bij negen van de tien Serviërs aan de andere kant van de frontlijn het onderbewustzijn een keer zal gaan werken. In de vorm van dromen of op een andere manier. Aan deze kant zijn er nu veel neurologische ziekten, vooral in dorpen aan de frontlijn, zoals hoofdpijnen en slapeloosheid. Er zijn soldaten die volkomen gek zijn geworden. Er zijn mensen van dertig jaar met een extreem hoge bloeddruk. Ik ben er zeker van dat dat door de oorlog komt. Het is wel interessant, ik probeer daarover te schrijven.

“Veel mensen hebben bronchitis en asthma. Kinderen die drie jaar in een vochtige kelder wonen moeten wel asthma krijgen. In Godus is gisteren een vrouw gestorven die heeft gegeten van een wild zwijn dat met een parasiet was besmet. Dertig of veertig mensen in Godus zijn daar ook ziek van geworden. Vijf tot tien procent van hen zal sterven. En dit is ook het griepseizoen.

“Eten was er niet altijd, maar de hulporganisaties hebben ons altijd voldoende verbandmiddelen en medicijnen gegeven. Tijdens de ergste beschietingen bleven ze hier nog komen in hun gepantserde auto's. Ik vroeg wel eens of ik een kogelvrij vest kon lenen, maar dat mocht nooit. Maar één keer heb ik zonder verband gezeten. Dat was toen de vluchtelingen uit Srebrenica in de zomer van vorig jaar over de heuvels kwamen. We hoorden dat we hier tienduizend mensen zouden krijgen. Hoe moest dat? Ik kon me al niet voorstellen dat ik hier opeens honderd mensen zou moeten behandelen.

“Ze hadden honderd kilometer over beboste heuvels gelopen, terwijl ze werden beschoten door artillerie en op allerlei andere manieren werden aangevallen. Sommigen hadden voeten die er uitzagen alsof ze waren gekookt. Sommigen hadden oude wonden waar gangreen was ontstaan. Benen en armen hebben we behandeld door er een stuk berkenschors omheen te wikkelen. Het is moeilijk te zeggen of de duizenden vermisten uit Srebrenica nog leven. Ik was een van de eersten tegen wie ze hun verhalen hebben verteld en ik denk het niet.

“Tijdens de colleges over de behandeling van oorlogswonden en amputaties had ik nooit goed opgelet. De professor vond ik een wereldvreemde snuiter. Waarom moest ik weten hoe ik een arm moet afzetten? Ik ga toch niet naar Beiroet, dacht ik. Twee jaar later gebeurde het hier.”

    • Hans Steketee