Het geld, de haat en de pers

NEW YORK. Bij alle verkiezingen in Westerse democratieën dient zich een oude kwestie aan. Hoeveel invloed hebben serieuze kranten nog op de politiek en de publieke opinie? Hebben die gedrukte media hun tijd niet uitgediend, kunnen ze er niet beter mee ophouden of zich zodanig aanpassen dat ze in een nieuwe simpelheid de televisie toch nog wat concurrentie kunnen aandoen? Dat is het dilemma. In de versimpeling verraden ze zichzelf en verliezen ze hun oorspronkelijk publiek. Gaan ze op dezelfde voet verder dan - dat wordt tenminste beweerd - kwijnen ze weg. Hebben ze nog enige zakelijke invloed op het politieke lot van Berlusconi en Kohl, Clinton en zijn aanstaande tegenstander, en laten we niet bescheiden zijn, Bolkestein en Kok? Of zijn ze in feite handlangers van de simplificateurs in de studio's.

De oude kwestie wordt steeds urgenter. Nu zwelt het gerommel van de Amerikaanse verkiezingscampagne aan. Over acht maanden zal het oorverdovend zijn. Het zal gaan over het 'Whitewater schandaal' hoewel na drie jaar onderzoek geen kiezer meer kan vertellen of het wel een schandaal is en waaruit dat dan bestaat. Over de vraag of Hillary Clinton heeft gelogen over haar rol in het ontslag van een aantal ambtenaren bij het reisbureau van het Witte Huis, dat ook een schandaal wordt genoemd hoewel de bewijzen ontbreken. Het zal gaan over de ongewenste intimiteiten die de president, toen hij gouverneur van Arkansas was, zich veroorloofd zou hebben jegens een secretaresse. Zij beschuldigt hem; hij zegt dat het gelogen is. Het zal gaan over nog andere bedenkelijkheden die de komende maanden worden opgediept.

In het vervolg op deze beschuldigingen worden enquêtes gehouden waarbij wordt gevraagd of men van mening is dat de beschuldigden hebben gelogen. Het percentage dat zich ervan overtuigd houdt belogen te zijn stijgt, maar geen mens weet waaraan ze die overtuiging ontlenen. Dat alles is niet 'typisch Amerikaans'. Willy Claes weet er ook over mee te praten. Het typisch Amerikaanse is dat het nu tot november zal duren en dat het een groter formaat heeft dan waar ook ter wereld.

De televisie overheerst - tot er nog iets beters wordt uitgevonden - de gedrukte media; overal. Dit betekent dat er steeds meer geld aan zal worden besteed, dat de politiek steeds eenvoudiger zal worden voorgesteld, en waarschijnlijk ook dat de polarisatie zal toenemen. “Geld is de moedermelk van de politiek”, zei een commentator - toegegeven - op de televisie. Voor de campagnes van deze verkiezingen is al 100 miljoen dollar bijelkaar gebracht. Het record van de vorige verkiezingen, een totaal van 300 miljoen, zal worden overtroffen.

Zojuist heeft een onafhankelijk instituut in Washington, het Centre for Public Integrity, een boek doen verschijnen, waarin wordt beschreven welke kandidaten zich door welke belangen laten financieren - tenzij ze, zoals Ross Perot of Steve Forbes zelf voldoende geld hebben. Uit dit boek, The Buying of the President, leert men bijvoorbeeld dat Senator Phil Gramm in de loop van zijn carrière al 440.000 dollar van de National Rifle Association heeft gekregen, en Bob Dole 381.000 dollar van een wijngaardenbedrijf in Californië, dat voor alle zekerheid ook Clinton met 50.000 dollar heeft gesteund. Het boek is rijk aan verhalen over vermenging van zakelijke en politieke belangen. Maar dit wil niet zeggen dat daarmee schandalen worden onthuld. Er worden alleen toestanden in beschreven die gebruikelijk zijn. Een woordvoerder van McDonald's gaf als commentaar dat zijn bedrijf veel meer geld aan reclame voor de hamburgers uitgeeft.

De publikatie van het Centrum voor Politieke Integriteit wordt nog interessanter in combinatie met een ander, ook recent verschenen boek, How Attack Ads Shrink and Polarize the Electorate, door Stephen Ansolabehere en Shanto Iyengar. De vorige campagne heeft geleerd dat de zogenaamde aanvalsadvertenties, waarin de deugden van de ene kandidaat worden afgemeten aan de ondeugden van de andere, naarmate de verkiezingsdatum dichterbij komt, zich ontwikkelen tot pure haatcampagnes. In de nationale campagnes gaat het daarbij nog betrekkelijk gematigd toe vergeleken bij wat plaatselijke propagandisten zich veroorloven. Daarbij komt - dat leren Whitewater en Travelgate - dat het echtpaar Clinton een uitzonderlijke inspiratiebron voor nog meer dan politieke, persoonlijke haat is. Een conclusie van de auteurs is nu dat aanvalsadvertenties een averechts gevolg hebben. Ze mobiliseren niet; ze leiden er eerder toe dat de kiezers liever helemaal wegblijven dan gaan stemmen op de partij van de adverteerder.

Kunnen de ouderwetse, gedrukte media daar iets aan doen? Een antwoord daarop wordt gegeven door James Fallows in het derde verkiezingsboek dat ik hier noem, Breaking the News. Fallows, een liberal, richt zijn kritiek vooral op het vak van de schrijvende journalistiek. Zeker is het gecorrumpeerd door de overmatige aandacht voor wat zonder nader onderzoek als schandaal wordt beschouwd, maar niet minder wordt het dikwijls gehinderd door de vooroordelen van een misplaatste arrogantie. In beide gevallen onderschat het zijn publiek, het heeft zich ervan vervreemd, en daardoor zal het krantenbedrijf een “industrie worden, verdwijnend in de avondschemering”.

Twee jaar geleden, toen de 'Republikeinse revolutie' van Newt Gingrich zich juist had voltrokken (intussen lijkt de fut er een beetje uit te zijn), was er ook een golf van kritiek en zelfkritiek in de politiek en de media. In de tussentijd zijn de vraagstukken van een stagnerend partijstelsel, vervreemding, het geld en de rol van de media verre van opgelost. Alle verschillen daargelaten vertoont het openbare leven in de Verenigde Staten steeds meer overeenkomst met dat in West-Europa, maar dan onder een vergrootglas en in een hoger tempo. Het belangrijkste verschil is dat de Amerikanen zich meer voor hun gebreken interesseren.

    • H.J.A. Hofland