De gebiedende wijs

De situatie van het bevel is er een van onwederkerigheid. Een bevelhebber beveelt, een ondergeschikte volgt het bevel op. Geef! Ga! Breng! Haal! Zeg! Door en in de handeling van de ondergeschikte wordt het bevel ten uitvoer gebracht. De taalhandeling van het bevel genereert de daad van de ondergeschikte. De gedienstige fungeert plusminus als verlengstuk van de geest van de ander, als een tweede lichaam, als een werktuig.

Het bevel vergt een glasheldere hiërarchie. Het moet volkomen duidelijk zijn wie aan wie welke lakens uit kan delen. Het geven van bevelen is alleen mogelijk in een verband van bovenschikking en onderschikking.

Misschien zijn honden zo langzamerhand de enigen in onze maatschappij die nog nooit in opstand zijn gekomen tegen de bevelsrelatie. Maar voor de rest ziet het ernaar uit dat de laatste bastions van het bevel sinds de jaren zeventig niet langer bemand worden. Vroeger, ik denk in de jaren vijftig en zestig, kon je al eens spottend horen zeggen: “Zeg, beveel je hondje, en blaf zelf!” Daar kon de gever van het bevel het dan mee doen: weer iemand die zich niet langer liet commanderen, weer iemand van het alsmaar groeiende leger van mondige medemensen.

De enige gebieden waar de imperativus nog zonder problemen gebruikt wordt, zijn de kazerne en het kookboek. Al weet ik dat van de kazerne niet eens zo heel zeker. Maar het lijkt me niet goed mogelijk er een leger op na te houden dat insubordinatie toestaat. Want daar komt het natuurlijk op neer, wanneer een gegeven bevel tot discussie zou kunnen gaan leiden, laat staan tot een levendige gedachtenwisseling, om maar te zwijgen van een goed gesprek.

Ik neem aan dat het bevel nog niet in het ongerede is geraakt, daar in dat reservaat van de samenleving. Maar of de oude gebiedende wijs meervoud er nog in volle glorie bestaat, dat weet ik niet. Presenteert geweer? Geeft acht? Of heeft de individualisering, althans grammaticaal, ook daar al toegeslagen?

Dat de imperativus over de hele linie op de terugtocht is, zo niet al bijna obsoleet geworden is, lijkt buiten kijf. In een egalitaire wereld waarin steeds meer mensen elkaar ongevraagd tutoyeren heeft de oude gebiedende wijs iets gekregen van een groot onhandig dier van vroeger. In de Randstad en zeker in Amsterdam - waar duidelijk zichtbare gezagsverhoudingen not done zijn geworden, en kinderen zowel hun ouders als hun leraren massaal zijn gaan tutoyeren - wordt de gebiedende wijs toenemend als onbeleefd ervaren.

'Doe de deur dicht!', kaal gezegd, dus zonder verdere toegevoegde bevelverzachters, dat werd door mijn kinderen op de leeftijd des onderscheids, zo ongeveer het twaalfde levensjaar, plotseling als niet langer mogelijk en zelfs als grove taal gevoeld. Ik herinner me mijn aanvankelijke verbazing over hun verzet tegen een grammaticale vorm die eeuwen lang - dacht ik - tot betrekkelijke tevredenheid gefunctioneerd had. 'Zou jij die deur alsjeblieft eventjes dicht willen doen?' Die enorme omhaal van woorden! Terwijl kostbare warmte ontsnapte naar een plaats waar die warmte helemaal geen nut had! Maar met hun uitstekende oren zullen ze mijn patriarchiale imperatieven, te midden van de talloze uitingen van andere hen omringende spraakmakers, ongetwijfeld juist getaxeerd hebben.

En dan gaat het hier alleen nog maar over de imperativus enkelvoud, gebezigd in het democratisch gezinsverband waarin praktisch alles de weg van het overleg dient te gaan. Het moderne onderhandelingsgezin zou dat wel eens kunnen heten, als er iemand verlegen zou zitten om een sociologisch beschrijvingsmodel.

Wat is er gebeurd met de imperatief? Sinds wanneer is hij zo reddeloos verloren? En hoe zit het hiermee in andere taalgebieden? Meteen zou je zowel een synchronische als een historische imperatievenatlas willen bezitten, die je maar hoeft op te slaan om in een oogopslag vast te kunnen stellen waar de - terugtrekkende - imperatiefgrens loopt en hoe deze zich verhoudt tot bijvoorbeeld het Rijnlandse versus het Engelse economische model. Ook zou je een cultuurgeschiedenis willen lezen van de imperativus, met in overzichtelijke staatjes de belangrijkste jaartallen en evenementen; en met een kleine bloemlezing van de meest grandioze literaire manifestaties van de imperativus.

Het verval begon wellicht - ik schrijf dit schetsje uit mijn blote hoofd en vraag de lezer clementie voor de ongetwijfeld geringe diepgang - ernstige vormen aan te nemen ten tijde van de Verlichting, het programma immers ter bevrijding van de mens 'aus seiner selbstverschuldeten Unmundigkeit'. De formulering is van Kant; dezelfde filosoof die direct al zo scherpzinnig was om de morele leemte te voorzien die een schreeuwende behoefte zou scheppen, na verdwijning van alle onmondigheid, aan een categorische imperativus.

De hoeveelheid 'stem' van iedereen is vanaf de negentiende eeuw steeds groter geworden. Stemmen mochten nog niet zo lang geleden alleen de rijkere burgers van mannelijle kunne; zwijgen was hierbij de taak of de rol van de rest. Stemrecht was aanvankelijk letterlijk het recht je stem te laten horen als het er voor jou op aan kwam; maar alleen degenen die telden, hadden dat recht.

Maar goed, het bevel is antiek geworden. De diverse omzeilingen en vermommingen van de ondergedoken imperativus zijn een aparte kleine studie waard. Een van de meest verkleuterde versies is wel die met mag: 'U mag het nog eens proberen.' (Als je te snel gepind hebt.) 'U mag hiermee naar het secretariaat gaan.' 'U mag hier gaan zitten.'

Ach, er is zoveel taal. De taal van het verzoek; de vriendelijke vraag; de taal van de verleende toestemming; die van de zachte aandrang; die van de gerechtvaardigde woede. 'De passagiers wordt verzocht . . ' 'Plaatsbewijzen alstublieft!' 'Ik eis dat u onmiddellijk . . ' En er zijn ontzaglijk veel goede manieren. Het moderne reorganiseren bestaat uit het uitvoeren van een gevraagd en duur betaald advies van een adviesbureau.

Nee, dat het geen enkele zin heeft om Bilderdijk te citeren besef ik ook wel: 'Bataven, kent uw spraak en heel heur overvloed!' Want die verzuchting had ik eigenlijk op de lippen - na lezing van een profeet die op de meest verpletterende wijze grossiert in imperatieven: Amos. Ik las hem in een voorproef van een nieuwe vertaling, waarin tot mijn spijt veel gebiedende wijzen meervoud het veld hadden moeten ruimen ten behoeve van allerlei naar mijn gevoel anachronistisch ge-jullie. Maar op Amos kom ik nog een keer terug.

    • Nicolaas Matsier