Bij het biotechbedrijf Genzyme zijn twaalf geiten goed voor één fabriek

De biotech-industrie groeit nog steeds, zo blijkt uit een recente studie van het accountantsbureau Ernst & Young. In '94-'95 steeg de omzet van de biotechbedrijven wereldwijd van 7,4 naar 8,7 miljard dollar. De marktwaarde van de bedrijven bedraagt inmiddels zo'n 47 miljard dollar, een stijging van 31 procent ten opzichte van het jaar 1993-'94. Het aantal beursemissies neemt echter af, en dat geldt ook voor het aantal beursgenoteerde biotechbedrijven.

Ook is minder venture capital voor de bedrijven beschikbaar. Sommige bedrijven zoeken financieringen in het buitenland. Khepri Farmaceuticals sloot een joint venture met de Canadese overheid. Neoprobe moest er zelfs voor naar Israel. Weer andere bedrijven zijn overgenomen of gefuseerd. Glaxo bracht een jaar geleden een bod uit op Affymax, en Marion Merrell Dow kocht Selectide voor 60 miljoen dollar. Voor veel bedrijven wordt het volgens Ernst & Young wel steeds moeilijker om het hoofd boven water te houden. Bedrijven hebben nu vaak zestien maanden om produkten op de markt te brengen, terwijl dat enkele jaren geleden nog 25 maanden was.

Ze zijn inmiddels even beroemd als de genetisch gemodificeerde stier Herman uit de Flevopolder: ruim vijfhonderd transgene geiten uit Nieuw Zeeland die in een weiland in Massachusetts gemoedelijk lopen te grazen. Hun melk bevat stoffen waarmee ernstige ziekten zoals cystische fibrose en kanker behandeld zouden kunnen worden. Per liter melk produceren de geiten zo'n vier gram aan anti-lichamen, tien- tot honderdmaal zoveel als mogelijk is in laboratoria. “Twaalf geiten kunnen een complete fabriek vervangen”, zegt Henri Termeer, directeur van het biotechbedrijf Genzyme, trots.

Een Amerikaans tijdschrift typeerde de Nederlander onlangs als een 'Gen genie'. Accountants Ernst & Young, Inc Magazine en Merrill Lynch kozen hem in 1992 al eens tot 'entrepreneur van het jaar' en 150 biotech-directeuren hebben Genzyme al tweemaal onderscheiden met de Academy Award voor biotechnologie. Termeer pronkt niet met al die onderscheidingen. Integendeel. “Wat dat betreft zijn we een bedrijf met een typisch Europese cultuur: we roepen niet dat we de beste zijn.”

Zijn studie aan de universiteit van Rotterdam heeft hij nooit afgemaakt. Termeer vertrok twintig jaar geleden naar de Verenigde Staten, waar hij Business Administration (MBA) studeerde aan de Universiteit van Virginia. Voor zijn eerste werkgever, het in medische apparatuur gespecialiseerde Baxter International uit Chicago, werkte hij ongeveer tien jaar, waarvan drie jaar als directeur van het Duitse hoofdkantoor in München.

In 1983 besloot Termeer het op dat moment nog vrijwel onbekende biotechbedrijfje Genzyme uit Cambridge (Massachusetts) te versterken. “Het was een zeer gunstige tijd voor biotechbedrijven”, herinnert Termeer zich. “Het Californische Genentech had net een spectaculaire beursemissie achter de rug en participatiebedrijven wilden maar al te graag in biotechnologie investeren.”

Verdiend werd er in die eerste dagen hoofdzakelijk aan diagnostische produkten. Het keerpunt voor Termeer kwam in 1985 toen hij zich liet adviseren over een geneesmiddel voor de ziekte van Gaucher, waarmee Genzyme op dat moment nog maar weinig succes had geboekt. “Het werkte maar bij één patiënt”, zegt Termeer, “maar die knapte er dusdanig van op dat ik ervan overtuigd was dat andere patiënten er ook baat bij zouden hebben.”

Acht hoogleraren van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) adviseerden Termeer om het project toch maar te laten vallen. “Ze dachten dat de ziekte binnen de kortste keren met gentherapie genezen zou kunnen worden. Maar ik leid liever een bedrijf dan dat ik de wetenschappelijke ontwikkelingen afwacht, dus heb ik mijn zin doorgezet.” En niet zonder succes, want inmiddels is het betreffende geneesmiddel, Ceredase, verantwoordelijk voor ruim de helft van de 375 miljoen dollar omzet van Genzyme.

Eenzelfde moedige beslissing nam Termeer zes jaar geleden, toen hij voor 100 miljoen dollar een fabriek liet bouwen voor de produktie van een ander geneesmiddel voor de ziekte van Gaucher, Cerezyme. Op dat moment was nog helemaal niet duidelijk of dat genetisch gemodificeerde enzym wel zou werken en of het wel zou worden goedgekeurd door de Food and Drugs Administration (FDA). Nu produceert de fabriek elke veertien dagen 8 miljoen dollar aan Cerezyme. “Als we langer hadden gewacht had ons dat 200 miljoen dollar aan inkomsten gescheeld”, zegt Termeer.

Zeer hoge verwachtingen heeft Genzyme ook van Seprafilm, een afbreekbare biofilm die chirurgen gebruiken om insnijdingen beter te laten genezen. Soms groeit weefsel na een operatie niet helemaal goed dicht en moet er opnieuw geopereerd worden. Die extra handeling kost alleen al de Amerikaanse gezondheidszorg 1,2 miljard dollar per jaar. Nederland is het eerste land ter wereld waar de film in ziekenhuizen wordt toegepast.

Met al deze produkten behoort Genzyme inmiddels tot de vijf grootste biotechbedrijven ter wereld. Gerekend naar omzet eindigt Genzyme direct na Amgen en Chiron (beide circa 2 miljard dollar) en het Californische Genentech (800 miljoen). De marktwaarde van het bedrijf wordt geschat op zo'n 2 miljard dollar, veel minder dan Amgen (14 miljard) en Genentech (zes), maar bijna evenveel als Chiron (3 miljard). Met dit laatste bedrijf heeft Genzyme veel gemeen: van een biotechbedrijf is Genzyme een farmaceutische reus geworden die het ene bedrijf na het andere opkoopt. Dat begon al in 1989 toen Genzyme fuseerde met Integrated Genetics. De vijfhonderd transgene geiten zijn eigendom van Genzyme Transgenics Corp, een halve dochter van Genzyme. Met de overname van het bedrijf Surface Technology kon Genzyme een eigen divisie voor 'weefselreparatie' opzetten. Onder de noemer Carticel wordt kraakbeenweefsel geproduceerd waarmee ernstige kniebeschadigingen behandeld kunnen worden. In het Zwitserse Basel produceert Genzyme via dochter Sygena fijnchemicaliën. Sowieso is Genzyme sterk vertegenwoordigd in Europa. Een derde van de omzet - 75 tot 100 miljoen dollar - haalt het bedrijf uit de Europse markt. Een belangrijk deel van de Europese activiteiten wordt gecoördineerd vanuit Naarden. In Nederland doet Genzyme samen met IntroGene uit Rijswijk ook onderzoek naar gentherapie, genetische ingrepen die geneesmiddelen uiteindelijk overbodig zullen moeten maken. “We investeren in onze eigen ondergang ”, lacht Termeer.

Al die ambities zijn nauwelijks af te lezen aan het bescheiden, zij het opvallend vormgegeven hoofdkantoor van Genzyme aan Kendall Square in Cambridge (Massachusetts). “Ik heb totaal niet de behoefte om met 2000 mensen op een campus te gaan zitten”, zegt Termeer. “Dat heeft ook te maken met onze filosofie om de cultuur van onze dochters zo weinig mogelijk aan te tasten.” Ongebruikelijk, in ieder geval voor Amerikaanse begrippen, is ook de manier waarop Termeer zijn zaken financiert. De meeste biotechbedrijven sluiten onderzoekscontracten met grote farmaceutische bedrijven, maar Termeer doet telkens een beroep op de aandelenmarkt.

In 1992, toen venture capital voor biotechbedrijven nagenoeg was opgedroogd, richtte Termeer een papieren bedrijf op - Neozyme II - dat de rechten op onderzoeksprogramma's en volmachten op Genzyme-aandelen beheert. De beursemissie van Neozyme bracht ruim 85 miljoen dollar op. Ook Genzyme Transgenics heeft een eigen beursnotering. Termeer neemt daarmee wel veel risico: biotechnologie brengt beleggers nogal eens in extase, maar even vaak kelderen de aandelen naar een historisch dieptepunt. Veel Amerikaanse biotech-bedrijven wagen de gang naar de beurs als zij nog niet eens een produkt op de markt hebben. Geruchten en speculatie bepalen dan ook grotendeels het koersverloop van de biotech-fondsen. Genentech is daarvan al eens het slachtoffer geworden: bij de beursintroduktie in 1980 steeg de koers al in de eerste minuut van 35 naar 89 dollar, tien jaar later hadden de beleggers het vertrouwen in Genentech opgegeven en was het geld om peperduur onderzoek te financieren op. Het bedrijf had dan ook geen andere keuze dan om zijn aandelen te verkopen aan de Zwitserse farmagigant Hoffmann-La Roche. “Als je langer in deze branche wil meedraaien moet je er een echte business van maken”, zegt Termeer. “Maar de meeste biotech-bedrijven zijn weinig meer dan een onderzoeksdependance van de farmaceutische industrie.”

Maar is speculeren op onrustige aandelenmarkten dan wel zo'n verstandig idee? Termeer: “In Las Vegas raak je je geld sneller kwijt dan op Wall Street. Er zijn in deze branche niet zoveel mislukkingen als wel beweerd wordt. Biotech-fondsen scoren redelijk tot goed.”

Termeer vindt wel dat de biotech-branche meer kansen verdient. Hij is een groot voorstander van de plannen van president Clinton om de kosten van de gezondheidszorg terug te dringen. “De medische verzorging is erg inefficiënt, daardoor gaan miljarden dollars verloren die anders aan wetenschappelijk onderzoek hadden kunnen worden besteed.” Sommigen zeggen dat de medische verzorging zo duur is omdat de farmaceutische industrie zeer hoge prijzen voor geneesmiddelen vraagt. Een behandeling met Ceredase kost 150.000 dollar per patiënt per jaar. Maar Termeer zegt dat de prijzen van geneesmiddelen niet het probleem zijn. “Die vormen hooguit zeven procent van de kosten van de gezondsheidszorg. De rest gaat op aan overhead. De verzorging van diabetici kost de Amerikaanse overheid jaarlijks 100 miljard dollar. De ziekte van Alzheimer slokt ook vele miljarden op. Er moet meer geld in onderzoek worden gestopt zodat we die ziekten kunnen bestrijden en de kosten van de gezondheidszorg kunnen verlagen. Dat bereik je niet door de prijzen van geneesmiddelen aan banden te leggen. Juist in een vrije markt gaan de prijzen omlaag en stimuleer je de ontwikkeling van nieuwe produkten. In Japan is dat zelfs bij de wet geregeld. De prijscontrole op geneesmiddelen is in Europa zelfs funest voor de ontwikkeling van nieuwe produkten. Een enkeling komt boven het maaiveld uit.”

Beleggers zijn niet ontevreden met de snelle groei van Genzyme, maar sommige analisten plaatsen wel vraagtekens bij het diversificatiebeleid van Termeer. Enerzijds kunnen daarmee tegenvallers makkelijker worden opgevangen, anderzijds mist het bedrijf een duidelijke signatuur. “De diversificatie heeft ons tot nu toe geholpen”, zegt Termeer. “Maar ik zeg niet dat iedereen dat moet doen. Ons beleid zal worden bepaald door innovatie, daar drijft deze branche nu eenmaal op. Anders zouden grote farmaceutische bedrijven als Merck ons allang van de markt hebben verdreven. Smithkline had Beecham nodig om nieuwe produkten te ontwikkelen. Om precies dezelfde redenen zijn Glaxo en Wellcome samengegaan. Dat is nu het grootste farmabedrijf ter wereld, maar zestig procent van hun winst hebben ze te danken aan een geneesmiddel tegen maagzweren, Zantac. Over tien jaar is dat middel er misschien niet meer. Je kunt in deze branche niet meer verdienen door bestaande produkten na te maken omdat de marges niet hoog genoeg zijn. Je zult innovatieve produkten moeten ontwikkelen.”

Ziet Termeer dan nog wel groei in zijn branche? “Ja, maar op een andere manier. Begin jaren tachtig kon je voor ieder idee geld krijgen, die tijd is definitief voorbij. Biotechbedrijven moeten nu samenwerken met grotere ondernemingen. De branche is veel efficiënter geworden.”

    • Jan Libbenga