Tekstanalyse geeft geen signalement van RaRa-daders

AMSTERDAM, 16 JAN. Bij de beslissing af te zien van verdere vervolging van de journalisten H. Krikke en J. Müter als RaRa-verdachten, heeft een technisch onderzoek van het Gerechtelijk Laboratorium in Rijswijk een doorslaggevende rol gespeeld. Daar moest worden vastgesteld of de journalisten ook de auteurs waren van enkele pamfletten die de actiegroep had opgesteld na aanslagen.

In september vorig jaar kreeg de Haagse officier van justitie mr. S. Horstink-Von Meyenfeldt een verslag van 66 bladzijden onder ogen. Twee conclusies moeten haar onmiddellijk in het oog zijn gesprongen: een van de inbeslaggenomen schrijfmachines van de journalisten vertoonde niet meer dan “de algemene machinekenmerken” van de machine waarop de RaRa-pamfletten waren geschreven. En: “niet kan worden uitgesloten, dat sommige betwiste teksten door een van beide verdachten, of door beide verdachten tezamen zijn geschreven”.

De 'algemene' kenmerken en 'niet kan worden uitgesloten' zijn zo ongeveer de dunst denkbare strohalmen in een rechtszaak en de officier van justitie zag daarmee het 'zwaartepunt' van haar bewijsvoering weggeslagen. “De strafzaak tegen de heren K en M is hiermede beëindigd”, deelde justitie in Den Haag gisteren mee. Had zij te zeer geleund op een wetenschap die “nog maar aan het begin staat”, zoals H. Hardy, hoofd van de afdeling schrift van het Laboratorium, het uitdrukt?

“De vraag of je een fingerprint kunt maken op grond van tekstanalyse is zeer omstreden”, aldus polemoloog L. Wecke, verbonden aan het studiecentrum voor vredesvraagstukken in Nijmegen. Hij heeft in 1993 de RaRa-pamfletten geanalyseerd. Daarbij ging het meer om de inhoud van teksten dan om de uiterlijke kenmerken en justitie heeft in de loop van dit onderzoek nog eens bij hem aangeklopt. “Zo heb je er niks aan”, was toen zijn weinig bemoedigende oordeel over de vergelijking van de teksten van Müter en Krikke met die van RaRa. Hij schat dat er “minstens 10.000 mensen” rondlopen die in de linkse literatuur dezelfde termen en redeneertrant gebruiken als de RaRa-schrijver(s).

Op het Gerechtelijk Laboratorium onderzocht T. Broeders “alle taalkundige niveaus” van de teksten. Een moeizaam onderzoek want er waren heel veel potentiële verdachten. Zoeken naar kenmerken die de schrijver typeren is dan lastig. Broeders: “Het is moeilijk een afweging te maken van de gegevens die je aantreft. We hebben het hier niet over een fingerprint die de identiteit van een schrijver vaststelt. Het gaat om gradaties van waarschijnlijkheid.” En daarbij is 'niet uitgesloten' een van de zwakste.

Dit type forensisch onderzoek kan volgens hem wel degelijk overtuigend bewijs opleveren en hij haalt een zaak van een paar jaar geleden aan. De dader had een brief geschreven waarin hij consequent het bezittelijk voornaamwoord 'jouw' zonder 'w' schreef. De twee verdachten werden onderworpen aan een dictee en inderdaad: een van hen schreef consequent 'jou' zonder 'w'. “Maar in het algemeen kom je er niet met spellingsfouten alleen. Hoe meer ontwikkeld de verdachten zijn, hoe minder van dit soort specifieke kenmerken ze vertonen.”