Na vier jaar weer thuis in Bosnië: lachen of huilen?

GRADACAC, 16 JAN. Daar komen ze aan in hun doorzakkende bordeauxrode Ford Sierra, uit het niemandsland: Aika, haar neef, nog een neef en diens vrouw. Ze hebben rode vlekken in hun gezicht van de spanning. Maar ze hebben het gehaald: vanuit Orasje, een moslim-Kroatische enclave in het uiterste noorden van Bosnië, zijn de vier moslims zomaar de Posavina-corridor overgestoken, een landengte die Servische gebieden in het noordwesten en oosten van Bosnië verbindt. Voor het eerst sinds vier jaar oorlog zijn ze thuis.

Bij de laatste Servische controlepost heeft Aika's neef heel veel gas gegeven toen de soldaten hen gebaarden te stoppen. Hun nekharen prikten, maar er werd niet geschoten. Een paar kilometer reden ze tussen de mijnenvelden, opgeblazen versperringen en ontmantelde kazematten. Dan zien ze de eerste soldaat van de Bosnische federatie: hij zit bij een vuurtje te roken. Ze kijken en zwaaien en joelen en letten niet op de weg waar wordt geremd. Het zal niet makkelijk zijn om in Bosnië een nieuwe radiator, een grille en twee koplampen voor een Sierra te vinden.

Aika Omeranovi<aigu>c (40) en de andere drie behoren tot de eerste in eigen land ontheemde Bosniërs die uitproberen wat er waar is van de akkoorden van Dayton. Ze hebben gehoord dat iedereen in heel Bosnië vrij is om te gaan en te staan waar hij wil, maar of het veilig is, wisten ze niet. Sommigen van hun vrienden hebben gezegd dat soldaten van de vredesmacht IFOR iedereen begeleiden. Volgens anderen is reizen op eigen houtje levensgevaarlijk omdat de 'Cetniks' moslims zonder plichtplegingen uit hun auto's halen en doodschieten. Nu hebben ze ontdekt dat de waarheid ergens in het midden ligt.

Toen de oorlog uitbrak, in 1992, is Aika uit haar woonplaats Bosanski Samac met haar man naar Orasje gevlucht. De Servische veroveringen maakten het hun onmogelijk terug te keren. Van haar familie aan deze kant van het front was zij al die tijd afgesneden. Maar vandaag zal Aika haar moeder en haar zusters Emina en Indira terugzien, die in Gradacac wonen.

Iemand neemt de Sierra op sleeptouw. Aika zit stil achterin en kijkt om zich heen. Ze ziet geblakerde huizen, provisorisch hersteld met board en bouwblokken, en ze ziet huizen die niets mankeren. Ze ziet boomstronken die door granaten zijn versplinterd en ze ziet velden waar hooi op schoven is gebonden en erven waar iemand vredig hout hakt. En dan is ze in Gradacac, ooit een liefelijk stadje, nu verminkt door ontelbare granaten. Maar ze is thuis. Een deur gaat open. Huilend vallen de vrouwen elkaar in de armen.

En ze leefden nog lang en gelukkig, zou je willen schrijven, maar het eind is open. Want na de zakdoeken, de rode neuzen, Turkse koffie, zoete strudla en nieuwe rondes omhelzingen begint onvermijdelijk het speculeren. Is de huidige gewapende vrede in Bosnië de voorbode van betere tijden of alleen een tijdelijke luwte voor het vechten weer begint? De drie zusters weten het niet.

Over een paar dagen gaat Aika in elk geval weer terug naar haar man in Orasje. De moeder kijkt de kring rond. Lachen en huilen vechten op haar gezicht om voorrang. “Kon alles maar weer zoals vroeger zijn”, zegt zij.

    • Hans Steketee