Kritiek Blom helpt elite niet verder

De vorming van onze toekomstige elite staat op het spel, zo meent prof. Blom, hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam (NRC Handelsblad, 18 december). Het gaat hem hierbij om de plaats van het vak geschiedenis in het voortgezet onderwijs.

Sinds de invoering van de Mammoetwet is geschiedenis voor de meeste leerlingen in de bovenbouw van HAVO en VWO een keuzevak. Nu met de inrichting van een nieuwe Tweede Fase van het voortgezet onderwijs, laat men de kans liggen om in deze situatie een verandering ten goede te brengen. In de twee alpha/gamma-profielen is geschiedenis een verplicht vak, maar in de twee profielen welke als vooropleiding van onze elite als artsen, technici en natuurwetenschappers zijn bedoeld, blijft geschiedenis een keuzevak.

Het nieuwe vak mens- en maatschappijwetenschappen (MMW), dat deze leemte zal moeten opvullen, deugt op geen enkele manier. Daarom roept Blom de politici op hun verantwoordelijkheid te nemen en te kiezen tegen mens- en maatschappijwetenschappen en vóór geschiedenis voor alle leerlingen in de nieuwe tweede fase van het voortgezet onderwijs.

Een pleidooi voor geschiedenis als verplicht vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs is mij - als historicus - sympathiek. Met de oproep van Blom aan de politici om te kiezen vóór geschiedenis en tegen mens- en maatschappijwetenschappen lijkt zo te zien niets mis. Toch schort er van alles aan.

Uitgangspunt van het betoog van Blom is zijn constatering, dat veel Nederlanders, ook hoog opgeleiden, sinds de invoering van de Mammoetwet een opmerkelijk gebrek aan kennis van het verleden en historisch besef tonen. De verklaring hiervoor moet volgens hem gezocht worden in het feit dat sinds die tijd geschiedenis geen verplicht vak meer is voor alle leerlingen in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. De constatering is een veel gehoorde, maar weinig onderbouwde klacht en de verklaring is bepaald niet afdoende.

Ten eerste bestond in het pré-Mammoettijdperk voor een belangrijk deel van de leerlingen - HBS b en Gymnasium bèta - voor het vak geschiedenis geen officieel schoolexamen. Geschiedenis was voor die afdelingen een zogenaamd 'vak achter de streep', dat niet werkelijk meetelde voor het eindexamenresultaat.

Een groot deel van 'de huidige elite' heeft deze situatie als leerling meegemaakt. In dat opzicht was de verandering die de Mammoetwet voor het geschiedenisonderwijs doorvoerde geen verlechtering en mogen de voorstellen van de Stuurgroep, die in ieder geval voor een deel - de helft? - van de leerlingen verplicht stellen en voor het andere deel vasthouden aan geschiedenis als keuzevak, een verbetering genoemd worden.

De bewering dat de kennis van het verleden en het historisch besef van vele Nederlanders achteruit gegaan is in zijn algemeenheid, ook al beperkt men zich hierbij tot de zogenaamde elite, moeilijk te staven. Waaraan moet je dat afmeten? Dat kan niet anders dan aan de kwaliteit en kwantiteit van de kennis die eerdere generaties van het verleden hadden.

Wat bij een dergelijke vergelijking in ieder geval vastgesteld kan worden is dat de aard van de kennis van het verleden is veranderd. Voor de kennis van de besluiten van het Wener Congres is wellicht die van het industrialisatieproces in de plaats gekomen. Kan hieruit opgemaakt worden dat de kennis van het verleden is verminderd?

De achteruitgang van het historisch besef moet geweten worden aan het verdwijnen van de humaniora-traditie en aan het wegvallen van het nationale en verzuilde kader, waarbinnen die verbondenheid met het verleden gestalte kreeg. In het moderne historische besef heeft deze verbondenheid met de traditie plaats moeten maken voor het bewustzijn dat vele visies op het verleden mogelijk zijn.

Overigens was en is de klacht over de teruggang van het historisch besef geen Nederlands, maar een internationaal verschijnsel. Het is dus maar de vraag of een pleidooi voor het verplicht stellen van het vak geschiedenis voor alle leerlingen zich kan bedienen van bovenstaande argumenten.

Het tweede deel van het betoog van Blom houdt een aanval in op het nieuwe vak mens-en maatschappijwetenschappen (MMW). Zijn hoofdbezwaar is dat met dit vak “de heilige koe van de vakkenintegratie” weer uit de sloot gehaald is. Over een dergelijke integratie van vakken spreekt echter noch de Stuurgroep, noch de vakontwikkelgroep. Uit eigen ervaring weet men dat een dergelijke pretentie te hoog gegrepen is. Het gaat om een combinatievak, bestaande uit elementen van met name geschiedenis, aardrijkskunde en maatschappijleer.

Dat neemt niet weg dat een multidisciplinaire benadering van maatschappelijke vraagstellingen wel tot de mogelijkheden behoort. Niet alleen mogelijk, maar ook noodzakelijk. Indien leerlingen voorbereid dienen te worden op hun maatschappelijk functioneren dan zullen zij enig zicht moeten krijgen op de complexiteit van verschijnselen in de samenleving. Leerlingen dienen te beseffen, dat maatschappelijke vraagstukken allerlei dimensies vertonen, zoals de historische, de ruimtelijke en de economische. Dat is ingewikkeld, maar de werkelijkheid is nu eenmaal niet anders.

Die complexiteit wordt nog vergroot doordat we niet alleen met 'feiten' te maken hebben, maar ook met beelden van en opvattingen over die feiten, bij het vak geschiedenis is het overigens niet anders. En daarbij gaat het dan ook nog om het verleden. Enige oefening op een eenvoudig niveau kan alleen maar een steun betekenen voor het vak geschiedenis, dat dan de gelegenheid krijgt aandacht te besteden aan vakspecifieke zaken, zoals de verschijnselen van continuïteit en discontinüiteit.

Blom stoort zich aan de hoog opgevoerde pretenties die het vak mens-en maatschappijwetenschappen blijkens de geformuleerde eindtermen bezit. Het is echter goed te beseffen dat eindtermen alleen de bedoeling hebben aan te geven welke kennis, inzicht en vaardigheid bij een vak aan de orde dienen te komen, maar niet in welke mate en op welk niveau. De eindtermen zijn daarom voorzien van toelichtingen, die weliswaar geen officiële status bezitten, maar wel de eindtermen verhelderen. Uitwerkingen van deze eindtermen in concrete thema's moeten nog volgen.

Het is te hopen, dat de politici zich niet door het abstractieniveau van de eindtermen, noch van het vak MMW, noch van de overige vakken laten misleiden en zich in hun beoordeling beperken tot de conceptuele kaders. Een keuze tussen geschiedenis en mens-en maatschappijwetenschappen, zoals door Blom gesuggereed, is niet aan de orde. Indien zij echter zouden overwegen geschiedenis als een verplicht vak in de bètaprofielen op te nemen, vinden zij mij aan hun zijde.

Een ongefundeerde aanval op het nieuwe vak mens-en maatschappijwetenschappen levert echter in dat opzicht geen nuttige bijdrage. De aanval is in dit geval niet de beste verdediging. Het vak geschiedenis kan zichzelf wel verdedigen. Cultuuroverdracht en maatschappelijk nut kunnen hierbij als belangrijke argumenten gehanteerd worden. Het is echter gezien de ervaringen in het verleden zeer de vraag of van het verplicht stellen van het vak geschiedenis voor de bèta-leerlingen in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs de vorming van de toekomstige elite afhangt.