Journalist eist na verdenking excuus van Haagse justitie

AMSTERDAM, 16 JAN. “Een simpele brief met excuses” verlangt Hans Krikke (37) van de Haagse justitie. Krikke werd samen met zijn collega Jan Müter, beiden journalisten van de Amsterdamse stichting Opstand, ruim een jaar lang ten onrechte verdacht van betrokkenheid bij de bomaanslag op het ministerie van sociale zaken in 1993. Die aanslag werd opgeëist door de radicale actiegroep RaRa. Afgelopen maand, 21 december, liet justitie weten dat er inzake RaRa geen strafvervolging komt van de twee journalisten.

Nu het gerechtelijk vooronderzoek tegen Krikke en Müter is beëindigd, is Krikke nog niet tevreden. “Mijn naam is nog niet gezuiverd, ik wil van justitie excuses. Het gaat mij niet om geld, maar om goed fatsoen.” Volgens Krikke blijkt uit de dossiers van justitie dat hij en zijn collega al voor 14 november 1994 - voor er sprake was van een gerechtelijk vooronderzoek tegen het tweetal - in de gaten werden gehouden. “Telefoons werden getapt en mensen in onze omgeving benaderd. Maar dat schijnt 'normaal' te zijn. In het justitiële jargon heet dat de 'pro-actieve fase'. Maar op deze methode is geen enkele democratische controle mogelijk”, zegt Krikke.

De afgelopen anderhalf jaar heeft Krikke zich moeten verdedigen tegen iets waarvan hijzelf ook niet wist waar die uit bestond, zo zegt hij. “Ik begon zelfs aan mijn eigen onschuld te twijfelen”, vertelt Krikke. “Jan en ik werden niet verdacht van een of ander misdrijf, maar van politiek terrorisme. Dat is niet zomaar een aanklacht. Mensen zijn dan geneigd om het gezag het voordeel van de twijfel te gunnen. Er werd over ons gezegd: waar rook is, is vuur. Of: justitie kan zich geen fouten meer veroorloven in de RaRa-zaak, dus ze zullen nu wel beet hebben.”

Op het kantoor van Opstand in de Amsterdamse Pijp werd het na de huiszoekingen in september 1994 een komen en gaan van journalisten en televisieploegen, maar het aantal opdrachten verminderde, zegt Krikke. “We kozen voor de openbaarheid op het moment dat we nog niet verdacht werden, na de huiszoekingen. We konden ons alleen via de media verweren. Juridisch bleek geen verweer mogelijk. Voor de buitenwereld en op persconferenties lijk ik sterk, maar ik ben meermalen kapot geweest. Op die momenten hebben mijn echte vrienden mij gesteund en er doorheen gesleept. Collega's, buurtbewoners en opdrachtgevers begonnen ons te wantrouwen. Als ik zèlf mensen ging interviewen, moest ik eerst een uur uitrekken om hen op hun gemak te stellen, alvorens ik mijn werk kon doen.” Ook onbekende passanten op straat begonnen de twee journalisten aan te spreken, zegt Krikke: “Kijk, daar heb je die RaRa-jongen!”

Vooral de zes dagen hechtenis in maart en april vorig jaar in de Haagse strafgevangenis ervaart Krikke nog steeds als “vernedering”. “Dat heeft een enorme wissel getrokken op mijn veerkracht.”

Krikke heeft een dagboek bijgehouden van het afgelopen anderhalf jaar, dat volgende maand verschijnt onder de titel Dagboek van een RaRa-terrorist. “Ik heb het gevoel gehad een jaar lang RaRa-terrorist te zijn geweest en zo te zijn behandeld. Vandaar de titel van dat boek.”