'IRT-affaire werd publiciteitsoorlog'

AMSTERDAM, 16 JAN. De IRT-zaak is uitgemond in een meedogenloze publiciteitsoorlog tussen gezagsdragers, die het onmogelijk maakt op een genuanceerde manier over bestrijding van de georganiseerde misdaad van gedachten te wisselen.

Dit zei de voormalige minister van justitie en huidig Eerste-Kamerlid Hirsch Ballin (CDA) gisteren in Amsterdam. De politicus die in 1994 moest aftreden als gevolg van de nasleep van de ontbinding van het interregionaal rechercheteam Noord-Holland/ Utrecht deed zijn uitlatingen in Amsterdam bij de presentatie van het door M. Haenen en T.J.M. Meeus, redacteuren van NRC Handelsblad, geschreven boek 'Het IRT-moeras'.

Hirsch Ballin sprak over de wijze waarop gezagsdragers, vaak via het in het geheim verspreiden van vertrouwelijke informatie, discussies over criminaliteitsbestrijding en hun eigen rol daarin proberen te beïnvloeden. “Publiciteit wordt gebruikt bij het leven”, aldus de oud-bewindsman. Hij zei te betwijfelen of de 'lekkers' er “al met al gelukkiger van zijn geworden” door hun pogingen journalisten “voor hun karretje te spannen”.

“Zolang de ene onvereffende rekening door de andere wordt gevolgd, kom je er niet toe een gezamenlijk begaanbare weg te zoeken. Mensen worden in kampen ingedeeld: Degenen-bij-wie-alles-kan bij de opsporing en Degenen-die-zorgvuldig-zijn-tot-op-het-bot. Wie met zelfbeheersing reageert, reageert niet hoorbaar”, aldus Hirsch Ballin. Hij waarschuwde dat het “voeren van de strijd via de publiciteit een tredmolen wordt waar je niet meer uitkomt”.

De CDA-politicus wees er ook op dat door het lekken van vertrouwelijke informatie “mensen aan aanzienlijke persoonlijke risico's worden blootgesteld”. Dat alles resulteert in een “strijd met ongelijke middelen omdat mensen zich naar believen als kraan en als kluis kunnen gedragen. Bovendien leidt de onverzadigbare behoefte aan one-liners tot een uitstoting van de nuance”.

Volgens Hirsch Ballin hebben ook zijn opvolgster minister Sorgdrager en haar secretaris-generaal Suyver “de laatste tijd aan den lijve ondervonden” hoe de “publiciteit als strijdmiddel in politiek- ambtelijke conflicten” opgeld doet. Hij wees er op dat hij in 1994 met hulp van de toenmalige vice-minister-president Kok met zijn collega Van Thijn (binnenlandse zaken) overeenstemming had bereikt over de noodzaak maatregelen te treffen tegen de Amsterdamse hoofdrolspelers in het IRT-drama: hoofdofficier van justtie Vrakking, procureur-generaal Van Randwijck, hoofdcommissaris Nordholt en commissaris Van Riessen. Van Thijn zou de afspraken hebben geschonden, waardoor maatregelen uitbleven.