Hoop voor '96 gevestigd op lage rente en hogere dollar; Groeivertraging teistert Europa

AMSTERDAM, 16 JAN. De Duitse werkloosheid is in december gestegen tot 9,9 procent van de beroepsbevolking, bijna vier miljoen werklozen. De Franse werkloosheid stijgt richting twaalf procent, zo'n 3 miljoen werklozen. Al wekenlang stapelen de onheilsberichten voor de continentaal-Europese economie zich op: de industriële produktie loopt terug, de consumentenbestedingen blijven achter en de exportgroei stagneert. De jongste prognoses liegen er niet om: de voor Europese landen zo belangrijke exportgroei halveerde vorig jaar bij een teruglopende wereldhandel en een oplopende wisselkoers. De vooruitzichten van de OESO zijn dat de groei van het volume van de wereldhandel dit jaar opnieuw vertraagt, van 7,7 procent tot 6,7 procent.

Hoewel cijfers voor het bruto binnenlands produkt over het vierde kwartaal nog niet voor handen zijn, gaan veel economen nu al uit van een technische recessie (twee kwartalen achtereen een negatieve groei) die kan hebben plaatsgevonden in Frankrijk, Duitsland en wellicht ook België. Dat geeft een slechte start voor 1996. Geen van de drie wordt verondersteld een economische groei van meer dan 2 procent tegemoet te kunnen zien in 1996, en de meeste ramingen zitten daar ver onder.

Reden voor de Franse president Chirac gisteren aan te kondigen 'maatregelen' te treffen in samenwerking met Duitsland om de Europese economie nieuw leven in te blazen. Maar de in Europees verband opgelegde bezuinigingen, die moeten leiden tot een begrotingstekort van maximaal 3 procent over 1997, maken de speelruimte klein. Ook voor Duitsland, dat vorige week ondervond dat het begrotingstekort tegen de verwachting in 3,6 procent bedroeg, en dat is boven de norm.

Europa niest, maar Nederland lijkt slechts een lichte kou op te lopen. W. Boonstra, econoom van de Rabobank, wijt dat vooral aan de samenstelling van de economische groei in deze fase van de conjunctuur. Hij denkt dat de export als aanjager van de Nederlandse economie niet zo belangrijk meer is als de voorgaande jaren. “Daarom is het effect van een mogelijke groeivertraging in de ons omringende landen minder sterk dan in de eerdere fase van de conjunctuur.” Ook de investeringen zullen volgens Boonstra minder zwaar wegen. In de Nederlandse investeringen zit bovendien een behoorlijke invoercomponent. Meer investeren betekent meer invoer, en dat werkt negatief in de telling van het bruto binnenlands produkt. De economische groei, volgens ramingen van de Rabo dit jaar 2,25 procent, zal in deze fase vooral moeten komen van de consumptieve bestedingen. En die zijn vooral een binnenlandse aangelegenheid.

Net als Rabo zit de Amerikaanse effectenbank J.P. Morgan, na een eerdere raming van 2,6 procent economische groei voor Nederland, nu op 2,25 procent voor 1996. Dat is nog altijd flink hoger dan de 1,6 procent die de bank voorspelt voor Duitsland, 1,1 procent voor België en 1 procent voor Frankrijk. Dat Nederland het beter doet, ligt volgens econoom E. van der Gulik aan de verbeterde concurrentiepositie die de laatste jaren is opgebouwd. “Zowel het Nederlandse bedrijfsleven als de overheid zijn veel eerder dan Duitsland begonnen met herstructureren, en dat werpt nu zijn vruchten af.” Loonmatiging heeft daarbij een voorname rol gespeeld, maar ook grootscheepse reoganisaties. Een bedrijf als Philips is begin jaren negentig al begonnen met operatie Centurion. Duitse bedrijven als Daimler-Benz liggen daar jaren bij achter. “Net toen in Duitsland de herstructurering van het bedrijfsleven moest gaan doorwerken in de bedrijfswinsten, gooide de sterke stijging van de Duitse mark vorig jaar roet in het eten.” De uitgangspositie blijft ook in 1996 voor Nederland beter dan in de ons omringende landen. Per januari zijn hier de werkgeverslasten omlaag gegaan. Extra bezuinigingsinspanningen van de overheden in zowel Duitsland, Frankrijk als België zorgen er voor dat de lasten daar constant blijven of juist oplopen.

Om 1996 nog te redden, zal Europa het moeten hebben van een versnelling van de economische groei in de tweede helft van het jaar, die door de meeste economisch analisten wordt voorspeld. Die redding voor de Europese economie zal vooral moeten komen van lagere rentes en een hogere dollarkoers. Als de zwakte doorzet, dan zou de Duitse centrale bank, de Bundesbank er voor kunnen kiezen om de rentetarieven verder te verlagen. Nu staat het disconto al zeer laag op 3 procent. Maar in de groeivertraging van midden jaren tachtig, die vooralsnog model staat voor de huidige economische dip, ging de Bundesbank nog lager, tot 2,5 procent. In afwachting daarvan zijn de obligatiekoersen in Duitsland (en ook Nederland) al fors gestegen, wat heeft geresulteerd in een kapitaalmarktrente op langlopende leningen van onder de zes procent. De lagere renteniveau's over de gehele linie kunnen investeringen en bestedingen nieuw leven inblazen, hoewel bekend is dat zo'n rente-effect pas met vertraging optreedt.

Een verzwakking van de Duitse mark en zijn satellietmunten zou de concurrentiekracht, en daarmee de economische vooruitzichten, flink verbeteren. Maar met name de Amerikaanse dollar weigert, ondanks een flinke steunactie van de centrale banken in de zomer van 1995, uit de 'bandbreedte' van rond de 1,60 gulden te breken. Misschien dat een nog lagere Duitse rente, die het in theorie onaantrekkelijk maakt om Duitse marken aan te houden, daar iets in verandert. Maar gezien het feit dat drie jaar van Duitse renteverlagingen in Duitsland tot nu toe juist een opdrijvend effect hadden op de mark, lijkt het riskant om het Europese economische herstel enkel op te hangen aan het monetaire beleid en de valutamarkt.

    • Maarten Schinkel