Het produkt voetbal

WEKELIJKS GAAN tienduizenden Nederlanders met het 'produkt' spoor naar het 'produkt' voetbal, worden ondertussen begeleid door het 'produkt' politie en mogen na afloop zichzelf terugzien dankzij het 'produkt' televisie. Tot zover is alles begrijpelijk. Het is hooguit jammer dat er geen keuringsdienst van waren is om een eventueel rot produkt op te sporen en af te keuren. Omdat het bij voetbal om een produkt gaat - voorzitter Staatsen van de sectie betaald voetbal der KNVB zegt het immers zelf - is er nu veel in het geding.

Voor de voetbalbond gaat het om de wijze waarop het 'in de markt wordt gezet'. Vandaar dat de KNVB in zijn bidbook, waarin hij de rechten op het voetbal nu te koop heeft aangeboden, allerhande eisen heeft gesteld aan de presentatie van het voetbal in de media, variërend van de noodzaak van aparte programma's op strikt voorgeschreven tijden tot de decors in de kleedkamers. Van persbreidel wil de KNVB uiteraard niet horen, maar een positief imago dient toch wel geleverd te worden. “Met de inhoud van het journalistieke produkt bemoeien wij ons niet”, maar het produkt moet wel “zo goed mogelijk” worden “overgebracht”, aldus Staatsen. Dat dezelfde Staatsen bij andere gelegenheden wel om politiebijstand vraagt om treinen en straten te beschermen en burgemeesters kritiseert als die een wedstrijd omwille van de openbare orde willen verbieden, is in zijn ogen kennelijk een detail dat we hem, als paus van de volkssport, niet euvel mogen duiden.

Voor de clubs gaat het om veel geld. Als de bond in staat is ongeveer honderd miljoen per jaar uit de sport te slaan, valt er ook voor de clubs weer wat te verdelen. Nu moeten ze het nog doen met zeventien miljoen over drie jaar, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat de grote clubs dankzij de internationale toernooien almaar rijker worden en de kleine verenigingen in relatieve zin steeds marginaler.

En voor de omroepen gaat het om zijn-of-niet-zijn. Wie het voetbal krijgt, weet zich verzekerd van de kijkersgunst, van de daarop volgende reclame-inkomsten en dus van zijn voortbestaan. Als de NOS niet meer de belangrijkste wedstrijden zou mogen uitzenden, is het met de televisiezenders Nederland 2 of 3 gedaan. Dat publieke én commerciële omroepen nu een gezamenlijk bod hebben gedaan, moet dan ook niet al te serieus worden genomen. Het is niet meer dan een tactisch bondgenootschap om tijd te winnen, voor de publieken om hun doodsstrijd te verlengen en voor de commerciëlen om een graantje mee te pikken uit de ruif zonder dat het ze al te veel tijd en energie kost.

OP ZICHZELF ZIJN AL deze omtrekkende bewegingen voor de burgers niet bijster relevant. Dat het nationale team niet meer van Oranje is maar van een grote verzekeringsmaatschappij, is al langer gemeengoed.

Maar wel belangrijk is dat er in het nu geprepareerde supercontract ook gemeenschapsgelden in het geding zijn. De NOS zit immers niet alleen met eigen geld aan de roulettetafel, maar ook met het kijk- en luistergeld dat elk huishouden moet betalen, of het nu wil of niet. Als de publieke omroep nu met publieke middelen de markt van het produkt voetbal opgaat, mag er dus één ding van de NOS geëist worden: namelijk dat ze geen concessies doet aan de KNVB die haar geloofwaardigheid in diskrediet kunnen brengen. Is de KNVB daartoe niet genegen, dan is dat jammer voor de NOS, maar dan moet ze dit produkt toch maar aan de commerciëlen laten.