Grafisch ontwerper Gerrit Noordzij op dijk afgetuigd; 'Ik kreeg alle schuld van de evacuatie'

TUIL, 17 JAN. “Omzien in wrok? Nee, voor zover ik bij mezelf kan nagaan, heb ik die gevoelens niet. Zelfs geen verontwaardiging. Als het om die mishandeling gaat, zie ik me meer als een verbaasde toeschouwer. Toen en nu nog steeds.” Bijna een jaar geleden, op zondag 12 februari 1995, werd Gerrit Noordzij (64), grafisch ontwerper in Tuil aan de Waal, afgetuigd door een ongeveer even oude plaatsgenoot. De dader zocht een zondebok voor de gedwongen evacuatie die zich kort daarvoor had afgespeeld als gevolg van de dreigende watersnood. En Gerrit was toevallig in de buurt.

Noordzij: “Het gebeurde op de dijk, 's middags om een uur of twee. Ik liep te wandelen met mijn hond, toen er een auto stopte. Er zaten mensen in die de weg vroegen naar Den Bosch. Bij de bushalte stond die dorpsgenoot, op klompen. Hij kwam naar ons toegelopen, trapte tegen mijn schenen en zei tegen die mensen: 'Ik zal de weg wel wijzen'. En toen gebeurde het. Hij sloeg me met de volle vuist een paar keer vlak in mijn gezicht en mompelde dat het mijn schuld was van die evacuatie.”

Noordzij moet er zwaar gehavend hebben uitgezien. “Mijn jukbeen bleek gebroken, maar dat zat nog redelijk op zijn plaats. Mijn neus was er erger aan toe, totaal verpletterd. Volgens de chirurg zou zijn Duitse collega zoiets een Knochensalat noemen. Ze hebben me twee keer geopereerd, het laatst in september.”

Toen hij na het gewelddadige incident bloedend thuiskwam, heeft hij aangifte van mishandeling gedaan en een eis tot schadevergoeding ingediend. “Want als je dat niet doet, hol je het rechtsbestel uit.” Verder heeft hij de affaire in handen gegeven van een advocaat. “Uit zelfbehoud, om er van af te zijn. En dat is gelukt, want ik weet zelfs niet hoe het juridisch is afgelopen. Niemand is het me komen vertellen en ik ga er ook niet naar vragen. Ik kan werkelijk volmaakt delegeren en heb daarbij alles gedaan om er mentaal ongeschonden uit te komen.”

Wel is de dader later bij hem op bezoek geweest, samen met de burgemeester van Neerijnen, waar Tuil onder valt. “De man zei dat hij er spijt van had, het was in een opwelling gebeurd, omdat zijn dochter zo'n moeite had met die evacuatie. Toen we een tijdje aan de praat waren, moest hij toegeven dat mijn ideeën minder extreem en negatief waren dan hij altijd had gedacht. Ik heb zijn excuses aanvaard, ach, waarom niet?”

Noordzij, specialist in het ontwerpen van letters, van 1960 tot 1990 docent aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunst in Den Haag, heeft nooit een prominente rol gespeeld in de beweging tot behoud van het rivierenland. Hij was er zijdelings bij betrokken met grafische en literarire bijdragen aan diverse geschriften. Wellicht valt zijn visie op rigoureuze dijkverzwaring het best te omschrijven met deze regels van zijn hand: “De hedendaagse architectuur, in stedebouw zowel als in de weg- en waterbouw, heeft de aansluiting op de menselijke maat en op de polsslag van culturele ontwikkelingen verlaten.”

Een betrekkelijk kleine, wat hoekige en goedlachse man, die dan geen gevoelens van wrok mag koesteren, maar wel uit zijn slof kan schieten. “Zo'n baron van Verschuer uit Beesd. Die bestond het om de bevolking per stencil op te roepen om mensen met een kritische houding de mond te snoeren. Dat is in mijn geval gebeurd. Geconfronteerd met de gevolgen van zijn advies zei de baron voor de tv: 'Het uitlokken van geweld is ook een misdrijf'. Dus wie de vrijheid van meningsuiting gebruikt, begaat in zijn ogen een misdaad. Een zeer bedenkelijke opvatting. Daarmee stelt Van Verschuer zich op als een vijand van de grondslagen van een democratische samenleving. En daar heeft hij school mee gemaakt. Zo praten ook de waterschappen.”

De Deltawet Grote Rivieren, grondslag voor de versnelde dijkverzwaring van nu, kan bij Noordzij evenmin genade vinden. “Men heeft de gebeurtenissen aangegrepen om de vrijheid van meningsuiting in te dammen. Alleen die naam al. Deltawet verwijst naar de ramp van 1953, toen ruim 1.800 mensen verdronken, terwijl wij hier alleen wat last en ongemak hadden. Dat noem ik pure demagogie.”

Niettemin kent hij naar eigen zeggen “zelfs geen spoor van teleursteling”: “De mensen waar ik mee te maken had, geleerden, politici en ambtenaren, daar heb ik nooit een hoge pet van opgehad. Het zou me hooglijk verbaasd hebben als ze nu naar Gerit Noordzij hadden geluisterd.” Tegelijk wil hij voor Rijkswaterstaat een uitzondering maken: “De verhouding met die mensen is verbeterd. Niet dat we het in alles met elkaar eens zijn, maar er is een zinnige discussie mogelijk. We waarderen elkaar als gesprekspartner, een aangename verrassing.”

Noordzij is van plan met zijn vrouw te vertrekken uit Tuil, waar ze een voormalige boerderij uit 1867 bewonen. Omdat hij een nieuwe aanslag vreest? “Welnee, van angst is in de verste verte geen sprake. Kijk ik soms schichtig uit mijn ogen? Nee toch. De verstandhouding met de mensen in Tuil laat niets te wensen over.” De reden om te verhuizen is van praktische aard.

In zijn atelier onder de hanebalken vertelt hij dat hij al geruime tijd last heeft van uitputtingsaanvallen, die autorijden tot “een hachelijke zaak” maken. Maar hij moet wel, omdat zijn vrouw geen rijbewijs heeft en winkels te ver weg liggen om te voet boodschappen te doen. “Al vóór het water steeg, zijn we daarom gaan denken aan verhuizen, dichter bij de bewoonde wereld. Het hoge water heeft er wel een versnelling in aangebracht. We evacueerden naar Leersum en hebben die gelegenheid benut om elders in Nederland rond te kijken. Wat het wordt, staat nog niet vast, waarschijnlijk een plaats in het IJsseldal met de dokter en winkels op loopafstand.”

Hij meldt het schijnbaar onbewogen, zelfs na een dertigjarig verblijf in het dorp aan de Waal. Wie om tranen verlegen zit, is bij Gerrit Noordzij aan het verkeerde adres: “Op Eerste Kerstdag was ik bij de NCRV-radio om mijn verhaal te doen, maar in hun ogen praatte ik niet emotioneel genoeg. Toen heb ik geantwoord: ik zou aan wat ik te zeggen heb niets kunnen toevoegen door het snikkend en kreunend te doen.”

    • F.G. de Ruiter