Doodshoofd

Mijn grootmoeder had er nooit een geheim van gemaakt dat zij bij de geboorte van haar vijfde dochter misprijzend in het kraambed had uitgeroepen: 'Alweer een meid!' Daarmee had zij onverbloemd lucht gegeven aan de laatste, vervlogen hoop die zij en mijn grootvader hadden gehad op een zoon die in de slagerij kon meehelpen en de zaak later zou kunnen overnemen.

In hoeverre deze teleurstelling invloed heeft gehad op de pasgeborene is moeilijk te zeggen; wel was het opmerkelijk dat dit kind, Marie geheten, opgroeide tot een stille, in zichzelf gekeerde vrouw, wie het in haar leven geenszins voor de wind is gegaan. Dit in tegenstelling tot haar vier opvallend knappe zusters, op wie zij bovendien helemaal niet leek, met haar sterk geprononceerde neus, haar kleurloze ogen en ongewoon grote mond in een te lang, te smal en te bleek gezicht. Alleen het glanzend zwarte haar, dat strak achterover gekamd met een zware wrong in haar nek lag, was mooi, en ook had zij een rank en recht figuur, met lange slanke benen.

Naderhand (de drie oudsten waren vroeg getrouwd), toen mijn grootmoeder weduwe werd en de slagerij overhaast verkocht moest worden, was zij evenwel wat blij dat zij haar twee jongste dochters nog had, met wie zij in de Zwartjanstraat een kleine etage betrok en menselijkerwijs gesproken tot haar dood zou blijven samenwonen, te meer daar de een, die een moederbinding en een aversie tegen het huwelijk had, voor het huishouden zorgde, en Marie, die fijnstrijkster bij de Gebroeders Groosjohan in de Vijverhofstraat was geworden, wel nooit aan de man zou komen.

Deze tantes, die aldus bestemd waren oude vrijsters te worden, zullen in de dertig zijn geweest toen ik op mijn zevende of achtste jaar oud genoeg werd geacht om bij hen te logeren wanneer mijn ouders, die in het variété hun brood verdienden, buiten de stad werkten of op reis waren. Ofschoon tante Toos een soort tweede moeder voor mij werd en ik naast haar in het bed op de koude, donkere zolder sliep, hield ik, ondanks het weinige contact dat ik met haar had, veel meer van tante Marie. Misschien kwam het door haar zachte stem en haar gelaten aanwezigheid (ze kon uren in haar hoekje bij het raam naar buiten zitten staren en las boeken uit de gemeentebibliotheek, wat ik heel interessant vond), maar waarschijnlijk was het ook uit medelijden, omdat het me afschuwelijk leek zo onaantrekkelijk te zijn. Daarom was het des te onbegrijpelijker en onvergeeflijker dat ik haar zo heb gekwetst door er dat vreselijke woord uit te flappen.

Het gebeurde op een zondag, toen we bij mijn grootmoeder hadden gegeten en voldaan van het zondagse maal zaten te schemeren, zoals dat ter besparing van elektriciteit bij ons werd gedaan. Terwijl tante Marie en ik, elk aan een kant van het raam, de weinige voorbijgangers in de straat gadesloegen, viel het mij plotseling op hoe het zwart van haar haar en de onduidelijke kleur van haar ogen in de vallende duisternis waren opgelost, zodat het leek of haar spookachtig wit gezicht geen haar en geen ogen meer had.

'Nu heb je net een doodshoofd,' zei ik, en op het moment dat ik het uitsprak besefte ik dat ik iets heel ergs had gezegd.

Het woord bleef zwaar in de stille kamer hangen en geschokt staarde ik naar de lege stoel tegenover mij, die tante Marie met een vreemd, verstikt geluid had verlaten om door de gang naar de keuken te snellen, waaruit een onbeheerst gehuil opklonk. Mijn grootmoeder was haar op de voet gevolgd en terwijl ik ontsteld naar de uitbarsting achter de keukendeur luisterde, voelde ik het zwijgende verwijt van mijn ouders en tante Toos, die verontwaardigde blikken in mijn richting wierpen. Toen het gesnik eindelijk ophield en mijn grootmoeder zonder tante Marie terugkwam, liep zij regelrecht op mij toe, schudde mij hardhandig door elkaar en sprak: 'Doe dat nooit meer, zeg dat nooit meer.'

Natuurlijk zou ik dat nooit meer doen, hoewel ik nog éénmaal aan die onbedachtzame uitspraak werd herinnerd. Aanleiding was tante Marie's onverwachte huwelijk met de chauffeur van een melkauto, die iedere ochtend een aantal flessen bij de personeelsingang van de Gebroeders Groosjohan afleverde. Hij was weduwnaar met twee kinderen, en na amper een jaar het bed met haar te hebben gedeeld, stapte hij tussen het bezorgen van zuivelprodukten door in dat van een ander en kwam op ongeregelde tijden thuis of, met de uitvlucht 's nachts te moeten overwerken, helemaal niet. Toen tante Marie zijn bedrog doorzag, legde zij haar trouwring op de huiskamertafel, verliet tegen de avond - het was in de winter - de twee kinderen en de van haar spaargeld gemeubileerde woning, en liep het ijskoude water van de Gordelweg in.

Nog diezelfde avond (zij bleek door laat van hun werk komende arbeiders op het nippertje te zijn gered) stonden mijn moeder en ik als afgezanten van grootmoeder en tante Toos, die te overstuur waren om met de wanhoopsdaad van hun dochter en zuster te worden geconfronteerd, bij het ijzeren, enigszins verveloze ledikant in een schaars verlichte zaal van het Bergweg Ziekenhuis, waar tante Marie zich achter een dichtgeschoven gordijn bevond. Het lange haar lag nog vochtig over het kussen uitgespreid en omdat ik me aan het voeteneind had opgesteld, keek ik recht tegen het geelwitte gezicht aan, waarin de donker omrande ogen mij weer aan het streng verboden woord deden denken dat mij jaren geleden op die bewuste zondag ontvallen was.

De hevig geschrokken weduwnaar bleef haar de rest van zijn leven trouw, en kreeg later een attaque, die hem aan een rolstoel in een verpleeghuis kluisterde. Tante Marie is hem iedere dag tot aan zijn dood komen opzoeken, en toen zij kort na hem aan een verwaarloosde keelziekte overleed, werd zij ingevolge haar wens in het familiegraf op Overschie bij mijn grootmoeder en tante Toos begraven.