De Treble Spankers brengen de gezelligheid weer terug

The Treble Spankers: Hasheeda (Polydor 529 947-2). Concerten: 17/1 De Eland, Delft, 19/1 So What, Gouda, 20/1 Nirwana, Lierop, 26/1 Iduna, Drachten, 27/1 Struik, Heino, 2/2 Pandemonium, Vlaardingen, 3/1 Niks, Horst, 9/2 De Peppel, Zeist, 10/2 Evenementenhal, Joure.

De Amsterdamse groep The Treble Spankers mengt instrumentale surf-rock met Indiase, Marokkaanse en Griekse invloeden. Het tweede album, Hasheeda, dat nadrukkelijk op cd én op vinyl verschijnt, bevat een kleurrijke combinatie van sixties-gitaarrock en wereldmuziek. Met zijn trefzekere gitaarstijl en heldere toon behoort leadgitarist Phantom Frank (37) tot de beste instrumentalisten die de Nederlandse popmuziek op dit moment rijk is. De veel gemaakte vergelijking met The Shadows of met Dick Dale ('King of the Surf Guitar') wijst hij van de hand als te beperkend. “Ik maakte voor het eerst kennis met muziek door de instrumentale platen van The Spotnicks, waar mijn oudere zussen mee thuis kwamen. The Shadows ken ik ook nog wel van vroeger, maar die muziek vind ik nu veel te belegen. Zelf luister ik vooral naar klassieke muziek.”

Om zijn horizon te verbreden gaat hij naar de Turkse bazaar of Marokkaanse winkels om er cassettes met uitheemse muziek te kopen. In het even bezwerende als opzwepende nummer Samira beklinken de Treble Spankers hun samenwerking met Abdellatif Chehdaoui, een jonge zanger van Marokkaanse origine. Doorgaans heeft Frank het niet zo hoog op met zangers in rockbands. “In een eerdere groep heb ik slechte ervaringen gehad met zo'n jongen die zijn longen uit zijn lijf stond te schreeuwen, en die na vier nummers al geen geluid meer uit zijn keel kreeg. Bij onze muziek is de gitaar eigenlijk de belangrijkste stem en trek ik de melodie naar me toe. Voor één keer leek het me wel mooi om er Marokkaanse zang bij te zoeken. Via een cassettewinkel kwam ik in contact met Abdellatif, die in zijn jeugd de Koran had gezongen, maar die verder niet veel ervaring had. Hij wil geen opstandige raï-zanger zijn. In plaats daarvan zingt hij in een traditionele stijl die vergelijkbaar is met de Egyptische muziek van Oum Kaltsoum. Geen klaagzangen maar mooie, melancholieke melodieën.”

Een gevoel van melancholie, zegt Frank, is wat hij nastreeft in zijn eigen composities. Daarom speelt hij net zo lief in rockclubs als in een klein café, waar je nog eens een rustig nummer kunt spelen en waar je de reacties op de gezichten van de mensen kunt zien. Een revival-band willen de Treble Spankers niet zijn, hoewel slaggitarist Marcel Kruup een ware sixties-fanaat is en er zo veel mogelijk over oude apparatuur wordt gespeeld. “Bij ons is het drumstel nog echt van hout. Dat klinkt veel beter dan dat moderne spul. Zo'n oude buizenversterker heeft een ziel. Dat mis je als er alleen maar transistoren in zitten.”

Ze beroemen zich er op, dat ze overal en op elk volume kunnen spelen. Bij voorkeur maken ze geen gebruik van de rumoerige PA-installaties die ze in de diverse jongerencentra aantreffen, maar houden ze het groepsgeluid helder door alleen over de meegebrachte gitaarversterkers te spelen. Daarom hoeven ze ook niet per se op het podium te staan. Het komt regelmatig voor dat ze hun spulletjes in de zaal opstellen, pal tussen de mensen. Op het toneel is er dan ruimte voor de meereizende discjockeys; twee opgeruimde jongens die zich de Easy Aloha's noemen en die zich toeleggen op swingende instrumentals van easy listening-helden als Klaus Wunderlich, Herb Alpert en Bert Kaemfert. 'Gezellig' is het sleutelwoord en hoewel de Treble Spankers (nog) geen Hammond-organist in hun midden hebben, voelen ze zich verwant met de snel aan momentum winnende 'Easy Tune'-beweging die de gezelligheid terug wil brengen in discotheken en jeugdhonken. Een gitaarbewerking van de vroege synthesizer-hit Popcorn is nog maar één van de opmerkelijke covers op het repertoire, naast vernuftige versies van de house-kraker No Limit van 2 Unlimited en Enola Gay van Orchestral Manoeuvres In The Dark. Ook de eigen nummers mogen er zijn, geïnspireerd door Indiase filmmuziek in het titelnummer Hasheeda of een Grieks vakantiegevoel in Me Jirévis ('Jij verlangt naar mij').

Ze streven naar een soort totaalprogramma, met een gastoptreden van Abdellatif en omlijst door swingmuziek van de Easy Aloha's. “Een verademing,” vindt Frank, want “in het verleden kwam het al te vaak voor dat na ons optreden meteen de soundtrack van Pulp Fiction werd opgezet, omdat de discjockey vond dat onze muziek daar op leek. Die surfmuziek is nog maar een klein onderdeel van wat we doen. Een revival vindt ik niet interessant en zelfs tradities zijn er om er zo nu en dan uit los te breken. The Shadows hebben ook wel eens iets met uitheemse muziek geprobeerd. Dat resulteerde dan in van die houterige tango's. Voor mij zit daar te weinig seks in. Ik speel met een cleane, onvervormde toon, maar dat weerhoudt ons er niet van om ruige en opwindende muziek te maken. We zijn geen puristen, want het is veel te saai om alleen maar dingen van dertig jaar geleden na te spelen.”

    • Jan Vollaard