Dan liever naar China

Harrie Geelen, De plant van Jan. Uitg. Van Goor, vanaf 4 jaar, ƒ 24,90. Imme Dros, Morgen ga ik naar China. Uitg. Querido, Ill. Harrie Geelen, vanaf 5 jaar, ƒ 25,-.

Jan van Harrie Geelen is een jongetje met een wijde broek, mollige ledemaatjes en een groot hoofd met een rechttoe-rechtaan stekeltjeskapsel. Vorig jaar speelde hij de hoofdrol in het kinderboekenweekgeschenk voor kleuters, De kat van Jan. Geelen maakte opnieuw een prachtig prentenboek over hem, De plant van Jan. Jan raapt een oude sprieterige pol van straat en neemt hem mee naar huis. De plant mag logeren in zijn strandemmer en rijden op zijn rolschaats. Een beetje saai is de plant wel, blijkt al gauw. Eigenlijk wil hij niets liever dan in de vensterbank staan. Hij lust geen gebakken ei, geen karnemelk en geen 'bier van pappa'.

In de verhouding tussen de plant en het jongetje spiegelt zich het gedrag van Jans ouders tegen hun zoontje. Jan maant de plant toch vooral voorzichtig te zijn. Misschien wel voor het eerst in zijn leven draagt Jan zelf verantwoordelijkheid, hij zorgt goed voor hem. Tot de stomme verbazing van zijn vaderlijke gastheertje beloont de plant hem door opeens een rode bloem te krijgen: 'Hoe heb je dat gedaan? (-) Ik heb je nooit iets roods te eten gegeven.' Met een krullend, trots lachje toont Jan het wonder aan zijn ouders.

Geelens sobere, geestige tekst en zijn veel uitzinniger, vaak felgekleurde illustraties vullen elkaar aan. In de tekst staat slechts dat Jan de plant aanvankelijk weg moet gooien van zijn moeder, op het plaatje zit hij op een klein krukje treurig en wat besluiteloos voor zich uit te staren, voordat hij tegen zijn moeders wil in durft te gaan. Zo geven de illustraties extra informatie over het verloop van het verhaal. Heel goed geslaagd is de weergave van de verstrijkende tijd in het kleurgebruik. Als Jan de bloem ontdekt, stroomt door de halfgeopende gordijnen helder ochtendlicht de kamer in. Het enige nadeel van de illustraties is dat het figuurtje van Jan soms enigzins wegvalt tegen de achtergrond.

Geelens echtgenote, de schrijfster met de meeste Zilveren Griffels van Nederland Imme Dros, schreef ook over een Jan in Morgen ga ik naar China. Harrie Geelen illustreerde en ook hier heeft Jan de dikke neus en het blockheadkapsel. Maar het is een andere Jan, of hij is ouder. Hij weet meer en denkt ingewikkelder gedachten.

Wat de beide prentenboeken gemeen hebben, is de mate van herkenbaarheid. Verplaatst Geelen zich moeiteloos in de verwonderde plantenverzorger, Dros weet feilloos de woede van een kind en de daarmee samenhangende fantasie over weglopen en nooit meer terugkomen onder woorden te brengen. Haar Jan is zo boos dat hij, nukkig rechtop in bed, besluit zijn ouders en zusje in de steek te laten. Wat precies de reden van zijn woede is blijft onduidelijk. Dros geeft een scala aan mogelijkheden: een stom zusje dat zo nodig met je speelgoed moet spelen, ouders die geen aandacht voor je hebben, vies eten en een voortijdig vertrek uit de speeltuin. Waar het om gaat is Jans vaststaande besluit: morgen vertrekt hij naar China. Want 'in China hebben de mensen maar één kind en een kind mag alles in China.' Ook bij Dros is een echo te horen van Jans opvoeding; als Chinese ouders 'geen tijd hebben dan maken ze maar tijd.' Heel knap weet zij de logica van het kind door te voeren, in China gaan ouders naar school omdat zij immers zo nodig willen weten waar Amerika ligt: 'Kinderen hebben wel wat anders aan hun hoofd.' De kracht van het verhaal ligt ook in het herhalen van Jans voornemen. Koppig blijft hij telkens weer beslissen morgen toch echt naar China af te reizen.

Naarmate de nacht vordert en Jans plan steeds gedatailleerder wordt (hij heeft zelfs al bedacht hoe hij zich in China zal verstoppen voor zijn zoekende ouders, als de mannen van Odysseus onder een schapevacht tussen een kudde schapen), lijkt zijn woede af te nemen. Zijn gedachten worden steeds soberder, ze keren terug uit China naar waar het eigenlijk om ging: hoezeer zijn ouders hun oneerlijke gedrag zullen betreuren. Geelens illustraties volgen. Na een hoop felgekleurde Chinese monsters, maskers en vliegers zien we Jan thuis zitten. Over zijn bolle wang biggelt een traan. 'Dan zullen jullie huilen en roepen. 'O Jan, we hebben het niet zo bedoeld.' (-) 'O Jan, we hebben er spijt van.' Maar dan is het te laat. (-) Ik ga morgen naar China. En ik kom overmorgen nooit meer terug.'