Woonblokken met poëtische teksten in de Dapperbuurt

Woonblokken van Hans van Heeswijk. Gebouw: drie woonblokken Dapperbuurt Amsterdam. Architect: Hans van Heeswijk. Opdrachtgever: woningbouwvereniging Lieven de Key en ontwikkelings maatschappij De Principaal. Oplevering: eind 1995.

Nergens in Amsterdam lijkt de geest van de stadsvernieuwing nog zo hevig te waaien als in de Dapperbuurt. De negentiende- eeuwse wijk, terzijde van het Koninklijk Instituut voor de Tropen, valt al twintig jaar ten prooi aan het reddende driespan van de oude wijken: renovatie, sloop en nieuwbouw. Het gevolg is een onafgebroken chaos die zich voortdurend verplaatst, een door de buurt wandelend tafereel vol schuttingen, steigers, kuilen, zandhopen en steenstapels.

Het is duidelijk te zien, dat in het verleden meer dan één architect zich het hoofd heeft gebroken over de sociale woningbouw in dit rechtlijnig verkavelingsgebied. Buiten de frisgeboende, negentiende-eeuwse rode baksteengevels met de witte banen, markeren talloze ronde balkonnetjes, vierkante erkertjes en uitbundige hijsbalken de sociale woningbouw van de jaren zeventig en tachtig.

De meest opmerkelijke architectuur van de jaren negentig in de Dapperbuurt was tot voor kort het hoekgebouw (1992) van Liesbeth van der Pol aan de Pieter Vlamingstraat. Twee woonblokken komen hier in een punt samen en daar waar zij elkaar net niet raken, houden zij een smal, transparant trappenhuis tussen zich ingeklemd. Liesbeth van der Pol heeft veel succes geoogst met dit opvallende ensemble dat, buiten de scherpe boeg, vooral wordt gekenmerkt door driehoekige balkons. Als volmaakt gesneden sandwiches steken zij uit de gevel, omhooggehouden door trekstangen aan lange, slanke hijsbalken.

Van der Pol zal haar onderscheiding van de meest interessante architect van de jaren negentig in de Dapperbuurt nu moeten delen met Hans van Heeswijk, die drie blokken heeft ontworpen met samen 53 woningen voor de woningbouwvereniging Lieven de Key. De koele, grijsgetinte woonblokken zijn opgetrokken uit vlakke, aluminium panelen, uit golfplaat van hetzelfde materiaal voor de zijgevels en uit veel staal en glas. Het strak gecomponeerde en zorgvuldig afgewerkte uiterlijk geven de drie uit elkaar gelegen eenheden het karakter van een reeks, die een opluchting betekent in een zee van snel gedateerde woningbouw.

Met het primaat van de technologie en zijn modern materiaalgebruik behoort Van Heeswijk (Breda, 1952) tot de school van de high-tech architecten, maar dan van de kleine, unieke klas die het uiterlijke, technologische spektakel schuwt. In plaats van ermee te willen imponeren, gebruikt hij het technisch en constructief vernuft juist om zijn architectuur zo helder, sober en transparant mogelijk te maken. Zo vinden zijn creaties eerder aansluiting bij de vooroorlogse licht, lucht en ruimte functionalisten, dan bij de onstuimig geconstrueerde werkstukken uit de dronken architectuurklas van de scheefheid.

De woonblokken in de Dapperbuurt missen voor een deel de letterlijke transparantie die eerdere bouwwerken van Hans van Heeswijk tot aantrekkelijke, hoogwaardige architectuur heeft verheven. Het kantoorgebouw (1991) in Amsterdam aan de Stadhouderskade - naast, en geïnspireerd door het vroegere gebouw van de Geïllustreerde Pers (Mart Stam, 1955) - de VSB-bank in Haarlem (1993, Houtplein) en de uitbreiding van het Centrum voor Beeldende Kunst De Beyerd in Breda (1991) zijn stuk voor stuk ruimtelijke weldaden waar men goeddeels doorheen kan kijken. Evenwichtig gecomponeerde glasgevels leggen het toetredende licht en de blik van buitenaf zo weinig mogelijk in de weg.

Voor niet hooggelegen stadswoningen is een dergelijke, onbelemmerde gastvrijheid ongeschikt en daarom hebben de Van Heeswijkblokken in de Dapperbuurt gesloten gevels met horizontale raamstroken. Dat wil niet zeggen dat het conventionele woningen zijn geworden. Het noodzakelijk gebrek aan doorzichtigheid is met glazen liftschachten en trappenhuizen en met terugliggende balkonstapelingen op bijzonder elegante wijze opgevangen. In combinatie met een zo open mogelijke parterre-verdieping is daardoor een denkbeeldige transparantie ontstaan die de compositie van de gesloten blokken tot een wonderlijk licht geheel maakt.

Van Heeswijk heeft de lichtheid nog eens willen benadrukken met een kunstgreep, in dit geval letterlijk. Nu de gevels toch gedeeltelijk gesloten blijven, kunnen zij net zo goed met poëtische teksten worden verluchtigd, moet hij hebben gedacht. Grafisch ontwerper R.D.E. Oxenaar gebruikte de aluminium gevelpanelen als ondergrond voor fragmenten uit het werk van Nescio en J.C. Bloem. Van de laatste natuurlijk het gedicht 'Domweg gelukkig in de Dapperstraat'. Uitgevoerd in ingetogen typografie staat de ode boven de marktkraampjes, op de gevel tussen de ramen geschreven.

Natuur is voor tevredenen of legen.

En dan: wat is natuur nog in dit land?

Een stukje bos, ter grootte van een krant

Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen

De in kaden vastgeklonken waterkant

De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand

Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.

Het leven houdt zijn wonderen verborgen

Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.

Dit heb ik bij mijzelve overdacht

Verregend, op een miezerige morgen

Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

Het is nogal een waagstuk om dit prachtige vers op door jou ontworpen architectuur af te drukken. Het fragment uit de Titaantjes van Nescio, op de gevel aan de Linnaeusstraat, is in de bekende eenvoud al even mooi. Dat deze teksten op Van Heeswijks woonblokken niet de gedachte aan een vlag op een modderschuit oproepen, spreekt boekdelen. De onontkoombare kracht van zijn architectuur is evenzeer van helderheid en het welgekozen detail op de welgekozen plaats afhankelijk als de schoonheid van de literatuur die op zijn matgrijze gevels te lezen staat.

    • Max van Rooy