'Voor bijgeloof moet je de tijd hebben'

Vroeger was ik veel bijgeloviger. Een dag voor de wedstrijd legde ik vlak voor het slapen gaan al m'n spullen keurig op een rijtje: karatepak met de band er bovenop, handschoentjes, de bitjes ter bescherming van je tanden, handdoek en wat douche-spullen. Pas de volgende ochtend, vlak voor ik de deur uitging, stopte ik het in m'n tas. Dat bracht geluk.

Tegenwoordig doe ik dat niet meer. Gewoon, omdat ik er niet meer aan toe kom. Te druk met m'n werk. Voor bijgeloof moet je de tijd hebben en als volwassene heb je dat vaak niet meer.

Nu beperkt mijn bijgeloof zich tot het slaan van een kruisje voor de wedstrijd en dat trekken aan de bovenste helft van m'n broekspijp tijdens een wedstrijd. Toen ik zo'n tien jaar geleden met karate begon, had ik als voorbeeld een Engelsman. Die deed dat ook, hop, even aan z'n broekspijp trekken. Hij was wereldkampioen, dus daarom zal ik het wel overgenomen hebben. Een karate-duel duurt drie minuten. In die periode trek ik zo'n twintig keer even aan m'n broek. Het duurt iedere keer nog geen seconde, maar m'n trainer vindt het behoorlijk stom.

Hij heeft gelijk. Iedere keer dat ik het doe, gaat het ten koste van m'n verdediging. Maar ik moet het doen, ik voel me er beter door. Als ik het niet zou doen, zou ik mezelf ook niet zijn. En hoe win je dan een wedstrijd?

    • Paul de Lange