Over Road Apple kunnen zich nu weer mensen verplaatsen

GRADACAC/MODRICA, 15 JAN. “Deze weg is open”, zegt sergeant eerste klasse James McMillan, terwijl hij zich bovenin de geschutskoepel van zijn Bradley-gevechtsvoertuig nestelt en zijn stofbril opzet. “En dat ga ik ze nu laten zien.” Hij voelt aan het pistool in de holster op zijn borst en spreekt in zijn boordradio. De schemer valt, de koplichten priemen door de nevel. Met knerpende rupsbanden vertrekken de drie Bradleys onder McMillans bevel en rijden de weg op waar niemand zich vier jaar lang heeft gewaagd: de weg door de vijf kilometer diepe zone tussen de stellingen van het Bosnische regeringsleger en die van de Bosnische Serviërs.

Sinds mei 1992 reisden er alleen kogels en granaten heen en weer tussen de stadjes Gradacac en Modrica ten noorden van stad Tuzla. Maar sinds de oorlogspartijen onder leiding van McMillans peloton gistermorgen hun mijnen en versperringen bij de grensposten hebben opgeruimd, zouden moslims en Bosnische Serviërs elkaars felbevochten grondgebied in theorie weer kunnen bezoeken via Road Apple, zoals deze weg op de Amerikaanse stafkaarten heet.

Veel hebben de doodsvijanden nog niet bij elkaar te zoeken, gesteld dat ze de moed zouden hebben om zomaar over te steken. En toch is deze nondescripte B-weg tussen de kniediepe modder, de mijnenvelden en de maïsstoppels een belangrijke route. Want hier moeten de abstracte akkoorden van Dayton tenslotte vaste vorm aannemen. Hier in de Amerikaanse sector van de internationale vredesmacht voor Bosnië IFOR moeten Bosnische Serviërs en moslims na vier jaar oorlog opnieuw leren samenleven. Daarom moet McMillan het goede voorbeeld wel geven. “Ik heb vanmorgen tegen de moslims en de Serviërs gezegd dat ik deze weg ga gebruiken en dat ik niet van plan ben te stoppen bij hun controleposten”, zegt hij. “Road Apple is open.”

Langs de weg staan de moslims van Gradacac, waar een groot dier uit de meeste huizen een paar happen lijkt te hebben genomen. Ze zwaaien. Zij kunnen hun ogen niet geloven. Tot december 1995 vielen hier dagelijks granaten, op sommige dagen meer dan duizend; nu kunnen zij weer gewoon over straat. Ze lopen nog een beetje onwennig, alsof zij net wakker zijn en tegen het licht knipperen.

Naarmate de laatste bunkers en wachthuisjes naderen staan er steeds minder mensen langs de weg. Een slagboompje gaat omhoog en de Bradleys rijden door de paar kilometer niemandsland. Aan Servische zijde herhaalt zich het tafereel in omgekeerde volgorde: slagboompje, zwaaiende mensen, schaapachtig grijnzende soldaten. Er is één verschil: hier zijn de huizen nauwelijks beschadigd.

Pagina 5: Samenleven moeten de Bosniërs zelf doen

Op de witte auto die tussen de tweede en derde Bradley in rijdt, let vrijwel niemand. De inzittenden zijn er eerst niet gerust op. Dan moet Osman, een jonge moslim die tolkt voor buitenlandse journalisten, schaterlachen. “Ik ben niet bang meer”, roept hij. “Wow! Ik rij tussen de cetniks en er gebeurt niets. Mijn vrienden zullen me nooit geloven als ik zeg waar ik vandaag ben geweest. Ik hou van de IFOR's.”

McMillan houdt halt voor een brug, kort voor het Servische stadje Modrica, en stapt uit. Hij inspecteert de houten constructie en betwijfelt of de brug zijn dertig ton zware voertuigen kan dragen. Dan besluit hij dat hij vandaag ver genoeg is gegaan. Hij laat de Bradleys keren en rijdt terug.

Veel soldaten van de Amerikaanse 1ste Pantserdivisie, waartoe McMillans Bradleys behoren, zijn veteranen van de Golf-oorlog (1990-'91). Hier hebben ze nog geen schot gelost en dat willen ze zo houden, al laten ze er geen twijfel over bestaan hun wapens te zullen gebruiken als het moet. “We willen niemand pijn doen, maar we kunnen heel lastige peace-keepers zijn”, zegt een soldaat op een pantservoertuig dat de naam Hell's Provider draagt.

“We zullen het anders aanpakken dan de VN-macht in Bosnië heeft gedaan”, zegt kapitein Jeff Hannon, op een vooruitgeschoven hoofdkwartier vlak achter de scheidingszone (ZOS), waar hij de dagelijkse operaties van zijn eenheid organiseert in deze regio, waar zowel Serviërs, moslims als Kroaten wonen. “De VN hielden zich met allerlei niet-militaire zaken bezig. Wij zullen juist alleen militaire zaken uitvoeren: het openhouden van wegen voor verkeer, het opruimen van mijnen en andere obstakels en het wekken van vertrouwen bij de strijdende partijen. De rest is werk voor de internationale politiemacht die nu wordt opgericht, of voor civiele hulporganisaties.”

Vorige week was een van Hannons patrouilles er getuige van hoe de Serviërs een Kroaat arresteerden die de zone was overgestoken. Toen de Amerikanen de Serviërs erop wezen dat het akkoord van Dayton recht op vrije doorgang geeft, zeiden de Serviërs tegen de Kroaat een formele aanklacht te willen indienen. “Daarmee was dit incident niet-militair geworden”, zegt Hannon. Hij heeft de zaak overgedragen aan de internationale waarnemers en hij weet niet hoe het de Kroaat verder is vergaan.

Ook met het bevorderen van de toenadering tussen beide partijen is Hannon 'heel voorzichtig', zegt hij. De gemeenteraad van Porobrice, een dorpje aan de Servische kant van de ZOS, heeft IFOR gevraagd om contacten te leggen met Dubrave, aan moslim-Kroatische zijde. Hij heeft de brief aan de burgemeester van het dorp gegeven, maar wil er verder weinig mee te maken hebben.

De Amerikaanse troepen kunnen de strijdende partijen misschien scheiden, maar samenleven moeten de inwoners van Bosnië zelf doen, zei de Amerikaanse president, Clinton, het afgelopen weekeinde tijdens zijn bezoek aan de luchtmachtbasis van Tuzla, waar de Amerikanen in de IFOR-macht hun hoofdkwartier hebben. “Het is hun vrede, niet de onze. We kunnen hen er alleen bij helpen”, hebben de Amerikaanse IFOR-bevelhebbers hun soldaten op het hart gebonden tijdens de voorbereiding op deze non combat-mission. In lijn met dit principe laten de Amerikanen de strijdende partijen zelf bepalen welke wegen zij het eerst mijnenvrij willen maken en openstellen. “Als er iets fout gaat hebben ze het aan zichzelf te wijten, maar gaat het goed, dan is het ook hun eigen succes. Alleen zo kunnen we hen elkaar laten vertrouwen”, zegt een officier. Bij het opruimen van mijnen in de ZOS werken soldaten van twee Bosnische oorlogspartijen over de weg naar elkaar toe, van beide kanten gevolgd door Amerikaanse explosievenexperts. Als ze elkaar bereiken is de weg als het goed is mijnenvrij. “Wij zorgen voor de rust, zij doen het werk”, zegt de officier.

Road Pear is ook open. Zij het eveneens in theorie. De weg loopt geheel door Kroatisch gebied, dicht langs de zuidrand van de zogeheten Posavina-corridor, de omstreden tien kilometer brede flessehals in het noorden van Bosnië, die Bosnisch-Servische territoria in het noorden verbindt met die in het oosten en met Servië. Het is zondag en Kroaten in hun paasbest gebruiken deze modderige weg om met bussen, gammele Zastava's, en zelfs nieuwe Mercedessen een dorp of stadje verder op familiebezoek te gaan. Dat wil zeggen: dat zouden ze doen als ze niet al twee uur stonden te wachten achter de tanks en jeeps van hun nieuwe Amerikaanse vrienden.

Een van de tanks heeft een uitvouwbare brug gelegd over het wiebelige bouwsel dat hier al in het riviertje staat. Zo kunnen de Amerikanen oversteken, maar als de bruggenlegger terugkeert om het ding weer op te nemen, faalt er iets in de hydrauliek. Het voertuig ronkt en rookt, maar de vouwbrug wil niet verder omhoog. Als een reusachtige letter A staat hij over het riviertje. Onder de tank ligt een plas olie. Na een uur sleutelen lukt het de Amerikanen de brug in elk geval te laten zakken. Een andere tank zal de brug later wel ophalen. Een beetje gegeneerd verdwijnt de bemodderde pantsereenheid over een heuvel. Langzaam komt het verkeer weer op gang.

Milorad Djinic woont aan de weg. Hij heeft nog nooit Amerikanen gezien, nu ja, op de televisie wel. Dat er iets misgaat als het leger verschijnt verbaast hem absoluut niet . Hij heeft genoeg ervaring met het Joegoslavische. Maar dat is niet belangrijk. “Dit zijn goede mensen”, lacht hij. “IFOR brengt vrede. Nooit meer vechten. Alle cetniks kaput.”

    • Hans Steketee