Muziek als een Jeroen Bosch

Concert: Radio Symfonie Orkest en Groot Omroepkoor o.l.v. Richard Dufallo m.m.v. o.a. David Geringas, cello. Werken van Goebaidoelina en Tippett. Gehoord 13/1 Concertgebouw Amsterdam. Uitzending Radio 4 19/1 20.02 uur.

Russische componisten excelleren in requiems. Naast de bekendere van Denisov en Schnittke zijn er legio van onder anderen Artjomov, Dambis, Dimitrijev, Karamanov, Rabinowitsj en Tisjtsjenko, om maar te zwijgen van de vele in memoriams, treurcantates, klaagliederen, Misereres, elegieën en werken met titels als Von Leben und Tod. Maar wat zou je ook anders verwachten van componisten die pogingen tot genocide van vlakbij hebben meegemaakt?

Het eerste werk op de Matinee op de vrije zaterdag was weliswaar een celloconcert, maar het centrum herinnerde mij sterk aan het Tuba Mirum uit Ligeti's Requiem: de cellist wordt als het ware gegeseld door striemende zweepslagen uit het orkest. Typische Ligeti-voorschriften als 'plötzlich aufhören, wie abgerissen' weet ook Sofia Goebaidoelina effectvol uit te werken, als een uitbeelding van panische angst. Als inspiratiebron voor het concert met de titel Und: Das Fest ist in vollem Gang diende een gedicht van Gennadi Agi waarin ons een droombeeld van het laatste oordeel wordt geschilderd. Als een schilderij van Jeroen Bosch zou klinken, zou het de klankkwaliteit van dit concert hebben.

Maar wat als men Goebaidoelina's inspiratiebron nu eens niet kende? Ik ben ervan overtuigd, dat veel meer verhalen van toepassing zouden kunnen zijn op deze beeldende muziek die leeft van contrasten. Want eigenlijk is het toch steeds de vorm als uitdrukking van een idee die bij Goebaidoelina centraal staat. Overigens zijn de contrasten niet achter elkaar geplaatst, de werkwijze is subtieler. Eerst treffen cello-cantilenen die fier en lyrisch sterk geplaatst worden tegen de bizarre gedrochtenmuziek van Bosch, terwijl later het orkest gebiedend zeker klinkt en de protagonist zich in allerlei vreemde kronkels hult.

Een muziek van openliggende zenuwen! En welk een contrast met het na de pauze gespeelde oratorium A Child of Our Time van Michael Tippett. Muziek als fraaie gobelins uit vroeger tijden, in een stijlvolle neo-barok met pronk-contrapunt. In de plaats van koralen koos Tippett voor negro-spirituals in een bezetting voor koor en soli, die de edel-kitsch naderen, zeker als het vibrato zo wijd uiteen wappert als zaterdag, gelijk een vlag in de stormwind, klaarblijkelijk onvermijdelijk in dit soort werken. Ik heb niets tegen spirituals, maar ze klinken hier als een vlag op de modderschuit van de te voorspelbare Engelse Hindemith.

Natuurlijk zijn er ook geslaagde momenten, zoals het openingskoor van het derde deel, een prachtige spiegelcanon The world descends into the icy waters where lies the jewel of great price. Maar na de genadeloos spannende muziek van Goebaidoelina viel Tippett eenvoudigweg door de mand als te mooidoenerig. Aan Richard Dufallo heeft het niet gelegen, die geloofde erin: aan intensiteit en krachtige lijnen in de uitvoering geen gebrek.

    • Ernst Vermeulen