Heeft de Hoofdstad Operette na vijftig jaar succes nog een toekomst?; Het publiek is grijs, de glinster afgeschaft

De Hoofdstad Operette viert zondagmiddag haar vijftigjarig bestaan met een jubileumconcert in het Concertgebouw in Amsterdam. Door vergrijzing en verzet tegen moderniseringen bij het vaste publiek is de toekomst van het gezelschap onduidelijk.

Jubileumconcert: 21/1, Concertgebouw Amsterdam 14.15u. Gräfin Mariza op tournee t/m 25/5. Fred Bredschneyder: Meer dan een eeuw Operette in Nederland, uitg. Strengholt, ƒ 34,90.

Wie de vijftig nadert, behoort tijdens theatervoorstellingen niet vaak meer tot de jongste bezoekers. Mij overkwam het dezer dagen in De Vest in Alkmaar, bij de voorstelling Gräfin Mariza van de Hoofdstad Operette: een uitverkochte zaal, maar bijna alles om me heen was grijs, kaal of kalend grijs. In de pauze werd het gebodene met waardering besproken, al viel ook hier en daar enig heimwee te vernemen naar de operette van vroeger, toen alles nog glinsterde en flonkerende, de japonnen van de sopranen ruisten en het achterdoek uitzicht bood op pastorale vergezichten of somptueuze balzalen. In het heldere, strakke toneelbeeld van nu daalde zelfs tijdens de Weense wals geen kroonluchter meer neer. En de balzaal was slechts aangegeven door een serre-achtige constructie van glas en metaal, zonder een zweem van de oude luister.

De Hoofdstad Operette bestaat vijftig jaar. Het jubileum wordt zondagmiddag gevierd in het Concertgebouw in Amsterdam. Solisten, koor en orkest zullen er de onsterfelijke melodieën van componisten als Léhar, Kálmán, Millöcker, Offenbach en Johann Strauss ten gehore brengen. Het repertoire is immers al die jaren hetzelfde gebleven; nieuwe operettes worden niet meer geschreven. De operette, die zich van de musical vooral onderscheidt doordat ze is bestemd voor klassiek geschoolde zangstemmen en derhalve geen geluidsversterking inschakelt, is een museaal genre geworden. Maar de voorraad aan oude successen blijkt tot dusver onverwoestbaar te zijn.

De eerste produktie van de Hoofdstad Operette, het nadien nog twee keer hernomen Das Dreimäderlhaus, ging op 8 september 1945 in première in het Amsterdamse zalencomplex Bellevue. Het gezelschap was een voortzetting van de vooroorlogse Fritz Hirsch Operette, die de bezetting niet had overleefd. Voorzichtigheidshalve werd de voorstelling in het Nederlands gespeeld; de Duitse taal was zo kort na de bevrijding ongewenst. Pas in 1950 durfde men, bij Viktoria und ihr Husar, terug te keren naar het Duits. “Niet dat harde Pruisisch,” zei directeur Meyer Hamel geruststellend tegen zijn publiek, “maar Weens.”

Sindsdien klinken alle dialogen en zangteksten weer in het Duits, tot de dag van vandaag. Nederlandse vertalingen zouden de ware liefhebber als amateuristisch in de oren klinken, weet men ten kantore van het gezelschap, waar nu al voorbereidingen worden getroffen voor de voorstelling die volgend seizoen op het programma staat: Viktoria und ihr Husar.

Door de jaren heen was de Hoofdstad Operette een betrouwbare publiekstrekker, met zangers en zangeressen die weliswaar zelden nationale roem vergaarden, maar in operette-kringen als ware helden en heldinnen op handen werden gedragen: Mizzi van der Lans, Jan Handerson, Lizzi Schöffmann, Anita Heins, Henk Kreukniet en de uit het cabaret afkomstige Jacco van Renesse.

Nauwlettend hield men vast aan het Weense karakter. De weduwe van Meyer Hamel ging er in 1980 nog prat op dat de regisseurs en de kostuums steevast uit Wenen werden betrokken, schrijft Fred Bredschneyder, lid van de artistieke adviesraad, in het jubileumboekje Meer dan een eeuw Operette in Nederland.

Twaalf jaar later, na een dreigende korting van de subsidie en een pijnlijke breuk met de Hamel-dynastie, werden de bakens echter verzet. Voortaan zou het gezelschap zich niet meer bezondigen aan de door Bredschneyder als “typische operette-maniertjes” aangeduide schalksheden en koketterieën die het genre zijn ouderwetse reputatie hebben bezorgd. Modernisering was de leuze.

Maar het blijft voorzichtig manoeuvreren om de oudere bezoekers niet te schofferen. Legio zijn de klachten dat het er tegenwoordig allemaal zo kaal uitziet, en zo weinig romantisch. En die ouderen zijn nu eenmaal veruit in de meerderheid. Een jonger publiek laat zich veel minder makkelijk aanspreken door het fondant van de walsjes, de liefdesperikelen van de vorsten, baronnen, graven en gravinnen van wie het in de operette wemelt, en de smaak die in die kringen prevaleerde.

“Was trinken Sie am liebsten?” vraagt gravin Mariza aan de man die haar het hof tracht te maken. “Natürlich Champagne!” antwoordt deze tot haar tevredenheid. Bovendien is de vraag of het jongere gehoor nog voldoende Duits is angehaucht om de intrige te volgen.

Netty Hamel maakte in 1980 nog melding van 200 voorstellingen per jaar. Nu zijn het er 140 - nog altijd een alleszins respectabel aantal, maar méér zouden de Nederlandse schouwburgen er niet willen hebben. De kaartverkoop is van doorslaggevend belang: de jaarlijkse subsidie bedraagt 5,6 miljoen gulden en door de recettes komt iets minder dan 2 miljoen gulden binnen. De Hoofdstad Operette staat dan ook voor het dilemma, dat de gemoderniseerde aankleding en enscenering de trouwe aanhang afschrikt en nog te weinig nieuwe aanhang oplevert.

“Laten we proberen er nog eens 50 jaar aan vast te knopen!” schrijft de huidige directeur Jaap Montagne in het programmaboekje van Gräfin Mariza. Maar of dat de Hoofdstad Operette nog gegeven zal zijn, is op zijn minst hoogst onduidelijk.

    • Henk van Gelder