De cherubijntjes van Jacob de Wit sprankelen van het leven

Tentoonstelling: Putti en Cherubijntjes, Het religieuze werk van Jacob de Wit. In Museum Amstelkring, Oudezijds Voorburgwal 40, Amsterdam. T/m 17 maart. Geopend: ma-za 10-17u, zo 13-17u.

Hij werd geboren in een Amsterdamse volksbuurt, schilderde in een on-Nederlandse barokke stijl en was overtuigd aanhanger van het katholieke geloof. Het heeft Jacob de Wit (1695-1754) niet van een succesvolle carrière kunnen weerhouden. Met een jaarinkomen van zo'n 4.000 gulden was hij de best betaalde schilder van zijn tijd. Zijn clientèle werd voor een groot deel gevormd door de rijke Amsterdamse burgerij, voor wie De Wit plafondschilderingen, schoorsteenstukken en andere decoraties maakte. Hij genoot vooral bekendheid vanwege zijn 'grisailles'. Deze illusionistische, in witte en grijze tinten geschilderde voorstellingen - nauwelijks van stucwerk te onderscheiden - worden ook wel 'witjes' genoemd.

Op de tentoonstelling in museum Amstelkring komen deze 'witjes' nauwelijks aan bod, het accent ligt op religieuze voorstellingen. De Wit werkte vaak voor zijn geloofsgenoten en heeft een hele reeks schuilkerken van decoraties en altaarstukken voorzien. Daaronder ook het altaar van de voormaligde schuilkerk waarin het museum - in de volksmond beter bekend als 'Ons lieve heer op solder' - is ondergebracht. De expositie sluit dan ook goed aan bij de permanente collectie.

Toen De Wit zich in 1715, na zijn opleiding in Antwerpen te hebben voltooid, weer in zijn geboorteplaats vestigde, werd hij onmiddelijk door zijn Amsterdamse geloofsgenoten in de armen gesloten. Verschillende schuilkerken hadden ambitieuze decoratie-programma's opgesteld en De Wit werd beschouwd als de aangewezen persoon om die uit te voeren. De Rubens-achtige manier van schilderen die hij zich eigen had gemaakt, leende zich daar goed voor en concurrerende schilders waren er eigenlijk niet. Assistent conservator Robert Schillemans: “Als hij voor katholieke instellingen werkte, bracht De Wit veel lagere prijzen in rekening dan voor profaan werk. En soms liet hij zich in natura betalen.” Als voorbeeld wijst hij op een fraaie ivoren crucifix. Waarschijnlijk het exemplaar dat De Wit ontving als beloning voor het maken van een plafondstuk in de Mozes en Aäron kerk.

De omvangrijke altaarstukken die hij voor schuilkerken maakte zijn niet op de tentoonstelling te zien, maar aan de hand van tientallen tekeningen wordt een indruk van dit oeuvre gegeven. Een grote aquarel van de Verrijzenis van Christus kon onlangs door het museum voor zevenduizend mark ('ons hele aankoopbudget') bij een Duitse kunsthandel worden aangekocht.

De catalogus beperkt zich niet tot De Wit, maar gaat ook uitgebreid in op de katholieke (sub)cultuur in het achttiende eeuwse Nederland. Interessant is vooral het hoofdstuk over 'schuilkerken'. Daarin wordt aangetoond hoe dat begrip pas in de loop van de negentiende eeuw is ontstaan. De katholieke kerk was in voorgaande eeuwen veel tegengewerkt door de protestantse machthebbers, maar het beeld van schichtige katholieken die in het geheim op zolderkamers bijeen moesten komen om hun geloof te beleiden blijkt onjuist. Negentiende-eeuwse katholieke auteurs zijn verantwoordelijk voor het aandikken van de feiten. Hoewel het katholieke geloof in de zeventiende eeuw laatdunkend 'afgodisch' werd genoemd, stonden hun kerken omschreven als 'openbaere plaatsen'.

Aan de putti en cherubijntjes uit de titel is slechts een klein zaaltje gewijd. Niettemin vormen deze kinderkopjes het meest aansprekende deel van de tentoonstelling. De Wit heeft zichtbaar plezier gehad in het schetsen van al die blozende en gevleugelde kindertjes. Ze zijn met veel zwier op het papier gezet en De Wit geeft hier blijk van een tederheid die zijn altaarstukken node missen. Waar de verrijzenissen en kruisigingen nogal eens een plichtmatige indruk wekken en de figuur van Christus soms ronduit flets en emotieloos is geschilderd, sprankelen de cherubijnen van het leven. “Er moet een markt voor deze tekeningen en aquarellen zijn geweest want De Wit heeft er honderden van gemaakt,” aldus Schillemans. Hij noemt het determineren van de verschillende soorten gevleugelde wezens een iconologisch mijnenveld en wijst de suggestie om de verzamelnaam 'Engelen' te gebruiken verontwaardigd van de hand. “Er is een ingewikkelde hiërarchie waarbij cherubijnen bovenaan komen aangezien ze het dichtst bij god staan.” Serafijnen blijken meer dan twee vleugels te hebben, terwijl de vleugelloze putti eigenlijk uit de mythologie afkomstig zijn. Schillemans heeft nog even overwogen om een hoofdstukje over al deze varianten in de catalogus op te nemen: “Maar ik heb de indruk dat De Wit het niet zo nauw nam met dat onderscheid.”

    • Erik Spaans