Bot VNO-beleid wekt weerstand

Na iedere VNO-reis naar een lage-lonenland klinkt hetzelfde lied: wat waren de arbeiders in Vietnam, Indonesië of China beleefd en bescheiden! En tevreden met hun karig loon! En zo flexibel! Laten we in Nederland vooral de nuttige les leren en onze loonkosten nog veel meer verlagen, zodat we kunnen blijven concurreren tegen de lage-lonenlanden. Topambtenaar Geelhoed van Economische Zaken zorgde voor een passend refrein in zijn traditionele nieuwjaarsartikel: “De eigenlijke druk (op onze economie) komt van buiten”. Kortom, het had hier in Nederland nog heel lang gezellig kunnen blijven met goed overleg in de SER over het beleid (het geestige nieuwe boek The low sky - understanding the Dutch van Han van der Horst benadrukt hoe karakteristiek die twee woorden 'overleg' en 'beleid' zijn voor onze samenleving), ware het niet dat de globalisering ons dwingt om veel goedkoper te worden, de welvaartsstaat op te ruimen en uitkeringen en ambtenarensalarissen te bevriezen tot na Sint Juttemis.

Maar is dat niet een rare diagnose van onze echte problemen? In de eerste plaats omdat Nederland met Vietnam, China, India en alle andere lage-lonenlanden een vrij zwevende wisselkoers onderhoudt, die zich zeker zal aanpassen zodra hun economische succes ons zou overweldigen. Daarvan is overigens tot nog toe niets gebleken, want Nederland handhaaft een groot overschot op de internationale handel, en slaagt er dus nog steeds in om meer dan genoeg af te zetten in het buitenland, inclusief al die lage-lonenlanden. Maar bovendien is het verhaal van de globalisering als excuus voor loonmatiging en bevriezen helemaal niet van toepassing op de echte problemen van de Nederlandse arbeidsmarkt. Dat Nederland bijvoorbeeld het enige OESO-lid is waar werknemers boven de 45 jaar al worden bestempeld als 'ouderen' en met urgentie worden voorgesorteerd voor collectief leeftijdsontslag, VUT of WAO, heeft echt niets te maken met de lage lonen en de beleefde houding van de werknemers in Ho-Chi-Minh-stad.

En dat in Nederland veel te weinig nieuwe bedrijven worden opgericht heeft evenmin te maken met de arbeidsmarkt in Bombay. Wie dat gelooft zou bezorgd moeten zijn over het economisch succes van Vietnam en India, en logischerwijs moeten aannemen dat naarmate het daar beter gaat dat slechter voor ons is. Maar eerder is het omgekeerde het geval. Nu bijvoorbeeld India eindelijk met zes procent per jaar groeit kan de KLM nog veel meer vluchten uitvoeren dan in het verleden (India is afgezien van de VS en Canada het enige land buiten Europa waar de KLM drie verschillende plaatsen aanvliegt). En de business-class van die machines zit vol met zakenlieden die over en weer nieuwe kansen onderzoeken. Nee, dat in Nederland zo weinig ondernemers uit de startblokken komen valt niet te wijten aan de globalisering in de wereldeconomie - integendeel - maar hangt direct af van zaken als onze eigen, slechte CAO-wetgeving die startende bedrijven verplicht vanaf de eerste dag precies even hoge lonen te betalen als de reeds gevestigde concurrenten.

Waarom praten VNO-leiders Rinnooy Kan en Blankert dan toch altijd over globalisering als de voornaamste bedreiging voor onze economie? In de eerste plaats omdat zij de logica die geldt voor individuele ondernemingen ten onrechte ook toepassen op complete landen. Vanwege lagere transportkosten moeten bedrijven tegenwoordig veel meer rekening houden met internationale concurrentie, zeker ook vanuit de lage-lonenlanden. Maar wat opgaat voor ieder individueel bedrijf hoeft nog niet te gelden voor een natie. Dan worden immers wisselkoersen belangrijk als corrigerend mechanisme, alsmede het feit dat méér groei in Vietnam of India juist weer extra kansen biedt aan andere bedrijven in Nederland. Maar bovenal is de onophoudelijke nadruk op de globalisering aantrekkelijk voor de sterke, conservatieve krachten in het VNO. Die voeren liever pleidooien voor nóg meer loonmatiging en bevriezing van uitkeringen dan voor een heroverweging van de algemeen-verbindendverklaring. Beëindiging hiervan zou immers een overgang inhouden op het Duitse systeem. In de Bondsrepubliek kunnen werkgevers het lidmaatschap opzeggen van de werkgeversvereniging en dan zijn ze niet meer gebonden aan de sectorale loonschaal. Ook startende bedrijven kunnen zo lang zij wensen wat lagere lonen betalen dan de grote broers in de sector. Dat is goed voor de flexibiliteit van de economie en ook voor de werkgelegenheid, maar maakt uiteraard de positie van de gevestigde bedrijven wat minder comfortabel dan nu nog in Nederland. Conservatieve leden van het VNO voelen daar niets voor, en handhaven dus liever hun comfortabele kartels dan dat zij meewerken aan het afschaffen van een regeling die ook in overlegeconomieën als Duitsland en Oostenrijk al lang niet meer bestaat en slecht is voor de kansen van startende bedrijven.

Gelukkig begint het harde VNO-front scheuren te vertonen. De Amerikaanse Kamer van Koophandel in Nederland, die onder haar duizend leden alle grote binnenlandse ondernemingen telt, publiceerde vorige maand een actieprogramma waarin beëindiging van het algemeen verbindend verklaren nota bene op de allereerste plaats stond. Duidelijker breuk met het VNO-beleid laat zich niet denken. Algemeen directeur Burgersdijk van de Kamer verklaarde vorige week in Amsterdam dat dit actiepunt nu ter discussie staat bij de Stichting van de Arbeid. “Zonde van de tijd”, volgens Burgersdijk, die tactvol naliet zijn leden eraan te herinneren dat die Stichting van de Arbeid voor de helft bestaat uit vertegenwoordigers van het VNO en andere werkgeversclubs.

Ook bij multinationals groeit het verzet tegen de harde lijn van Rinnooy Kan en Blankert die wèl praten over de lage lonen in Vietnam, maar niet bereid zijn de hand in eigen boezem te steken voor wat betreft het CAO-beleid. Ook is het een bemoedigend teken dat hoofdeconoom prof. Paul Verhaegen van het VNO al geruime tijd en discreet stilzwijgen bewaart over het algemeen verbindend verklaren, naar verluidt omdat hij zich nu aansluit bij het standpunt van de multinationals en van de duizend leden van de Amerikaanse Kamer in Nederland.

Alexander Rinnooy Kan speelde een paar jaar geleden een belangrijke rol in het debat over het toenmalige plan-Simons in de gezondheidszorg. Maar daar kon hij gemakkelijk spreken, want zijn VNO was niet verantwoordelijk voor de voorgeschiedenis. Nu het gaat om de Nederlandse arbeidsmarkt kiezen hij en zijn opvolger Blankert helaas te vaak voor het gemakkelijke verhaal dat de lonen in Vietnam zo laag zijn. Rinnooy Kan zou zijn voorzitterschap van het VNO met meer glans afsluiten wanneer hij nu het signaal volgde van zijn eigen achterban in de invloedrijke Amerikaanse Kamer in Nederland en toegaf dat het algemeen verbindend verklaren van CAO's niet meer van deze tijd is. Doet hij dat niet, dan blijft een gênante erfenis liggen voor Blankert èn een gevoel van teleurstelling bij de zo talrijke bewonderaars van zijn grote talenten.