Alle onderwijsvrijheid is welkom

Terwijl de overheid in de eerste helft van de negentiende eeuw voor de scholen een 'Christendom boven geloofsverdeeldheid' nastreefde, heeft het er veel van weg dat de pedagoog Piet van der Ploeg (NRC Handelsblad, 3 januari) voor de eenentwintigste eeuw opteert voor een 'Democratie boven minderheidsstandpunten.'

De redenering van Van der Ploeg gaat als volgt. Eerst valt hij de filosoof Cliteur bij in diens klacht over het gehalte van het onderwijsdebat. Kwaliteit, daar zou de discussie over moeten gaan. Vervolgens neemt Van der Ploeg afstand van Cliteurs invalshoek - namelijk, dat de vraag naar de waarde en de betekenis van de onderwijsvrijheid de 'hamvraag' zou zijn. Volgens Van der Ploeg is een andere kwestie de meest dringende: “Hoeveel onderwijsvrijheid kan de democratie verdragen?”

Met deze stellingname verheft hij de democratie tot de toetssteen van deugdelijk onderwijs. Blijkens de inzet van het hele artikel dient 'democratie' hier zowel 'modern' als 'paars' geïnterpreteerd te worden. Het is een “plurale, liberale en sociale democratie”, waarin levensbeschouwingen die weinig op hebben “met zelfbeschikking, met gelijkwaardigheid ongeacht sekse, godsdienst, geaardheid of ras, en met pluralisme en respect voor andere levens- en zienswijzen” geen plaats mogen hebben. Alle onderwijs dat “het zelfstandige denken en de zelfredzaamheid van kinderen beperkt of frustreert in plaats van te oefenen en te verruimen”, alsmede dat onderwijs dat kinderen zó onderricht “dat ze onverdraagzaam worden jegens representanten van andere levens- en zienswijzen of dat ze onbekend blijven met wat anderen bezielt en beweegt”, dient de overheid tegen te gaan.

Nu zou ik, als calvinist, deze idealen van harte moeten toejuichen. Eindelijk zou dan toch het tijdperk aanbreken, waarin de overheid erop toeziet dat op alle scholen in Nederland de leerlingen een genuanceerd en samenhangend beeld wordt geschetst van de uiteenlopende godsdienstige overtuigingen, ook van orthodox-christelijke en van mohammedaanse signatuur. Toch denk ik dat Van der Ploeg - of liever: de overheid - wat problemen krijgt bij de uitvoering van dit program. Er bestaat namelijk enige begripsverwarring over aan aantal cruciale 'items' van zijn wensenlijstje. Deze verwarring wordt veroorzaakt door de verschillende manieren waarop burgers tegen het leven en de zin van het leven aankijken. Niet iedere Nederlander acht 'autonomie' des mensen hoogste goed. Sommigen zijn er diep van overtuigd dat zij leven bij de gratie Gods. Dat zij dankzij het offer en de opstanding van Jezus Christus uit genade mogen leven. Zij zweren niet in de eerste plaats bij vrijheid en democratie, al begeren ze die wel degelijk voor anderen en voor zichzelf. Vrijheid, gelijkheid, tolerantie en respect staan bij hen hoog genoteerd, maar dan wel in onderworpenheid aan Gods geopenbaarde wil, die te kennen is uit Zijn Schepping en Zijn Woord.

Nu heb ik het nog niet gehad over humanisten, joden, mohammedanen, hindoes, boeddhisten, socialisten, communisten, anarchisten, om enkele bekende groeperingen te noemen. Elke levensbeschouwing stelt haar eigen prioriteiten in de opvoeding van kinderen. Deze hebben geen betrekking op nuances of ondergeschikte punten, maar betreffen de hoofdlijn en het doel van de opvoeding. Wanneer de overheid werkelijk één definitie van democratie tot sjibbolet van deugdelijk onderwijs zou maken, kregen we in Nederland een door verfoeilijke staatspedagogiek geleid openbaar onderwijs, waarbij een minderheid van de burgers zich zou moeten onderwerpen aan een politieke meerderheid. Dit zou vervolgens ongetwijfeld een reprise opleveren van de in de negentiende eeuw gevoerde onderwijsstrijd, een burgeroorlog waarop niemand zit te wachten.

Wanneer het ooit zover zou komen - wat God verhoede - dan hoop ik dat er opnieuw een staatsman zal opstaan van de statuur van de liberaal Thorbecke. Als voorzitter van de staatscommissie voor grondwetsherziening kreeg hij gedaan dat in het wetsvoorstel kwam te staan: “Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid der onderwijzers en het toezigt der Overheid, beide door de wet te regelen.”'De school aan de opvoeders' is een slogan die Thorbecke in Nederland het eerst verdedigde. Niet omdat hij orthodox-christelijke scholen zo fantastisch vond; allerminst zelfs. Maar omdat hij van mening was dat het de overheid niet toekomt zich te mengen in de opvoedingsidealen van ouders. Volgens Thorbecke behoorde particulier onderwijs zelfs regel te zijn, openbaar onderwijs uitzondering!

Voor een pluralistisch Nederland acht ik het standpunt van Thorbecke sierlijker en werkbaarder dan dat van Van der Ploeg.