Zwart, jong en slim - Amerika's nieuwe intellectuelen

Een nieuwe lichting zwarte intellectuelen in de VS trekt hard aan de bel. Moet zij worden beschouwd als een groep vernieuwers of heeft zij zich, door handige promotie van het eigen produkt, tot onevenredige proporties opgeblazen?

Michael Lerner & Cornel West: Jews & Blacks. Let the healing begin 276 blz., Putnam 1995, ƒ 49,15

Cornel West: Race Matters 105 blz., Beacon Press 1993, ƒ 31,20

Michael Eric Dyson: Between God and Gangsta Rap. Bearing Witness to Black Culture 224 blz., Oxford UP 1995, ƒ 49,25

Michael Eric Dyson: Making Malcolm. The Myth & Meaning of Malcolm X 215 blz., Oxford UP 1995, ƒ 39,30

Glenn C. Loury: One by One from the Inside Out. Essays and Reviews on Race and Responsibility in America 332 blz., The Free Press 1995, ƒ 49,25

Stanley Crouch: The All-American Skin Game, or The Decoy of Race. The Long and the Short of It, 1990 - 1994 267 blz., Pantheon Books 1995, ƒ 47,30

Patricia J. Williams: The Rooster's Egg. On the Persistence of Prejudice 262 blz., Harvard UP 1995, ƒ 43,35

Henry Louis Gates Jr: Colored People. A Memoir 216 blz., Knopf 1994, ƒ 43,35

bell hooks: Killing Rage. Ending Racism 277 blz., Henry Holt 1995, ƒ 39,40Art on My Mind. Visual Politics 224 blz., The New Press 1995, ƒ 31,20

Het afgelopen jaar struikelden de Amerikaanse 'highbrow' tijdschriften over elkaar heen om vast te stellen dat de Verenigde Staten een nieuwe culturele groep rijk zijn: de 'new black intellectuals'. Het begon allemaal met een artikel in The New Yorker met prompt daarop een omslagverhaal in The Atlantic Monthly. De teneur van beide stukken was dat een nieuwe generatie zwarte denkers de meest dynamische kracht aan het worden is in Amerika's intellectuele arena sinds de jaren vijftig. “Erudiet, politiek betrokken, moreel geëngageerd en bij tijd en wijle uiterst controversieel en polemisch - de soort die bekend staat als 'public intellectuals' leek zo goed als uitgestorven. Plotseling zijn ze terug. En ze zijn zwart,” zo juichte één van de auteurs. In beide artikelen werd een uitvoerige vergelijking getrokken met de 'New York Intellectuals' uit de jaren vlak voor en na de Tweede Wereldoorlog.

Wie zijn die nieuwe zwarte intellectuelen dan wel? Anders dan bij het zo befaamde clubje joodse immigrantenzonen uit de New Yorkse Lower East Side, gaat het om een weinig vastomlijnd en ideologisch zeer gemêleerd gezelschap van ettelijke tientallen bekende en minder bekende goden. Niettemin zouden ze gemakkelijk te identificeren zijn.

Allereerst zijn ze jong - althans doorgaans onder de vijfenveertig - en werden dus volwassen na de zwarte emancipatiestrijd in de jaren zestig. Ze profiteerden van het positieve discriminatiebeleid en ze werkten zich veelal omhoog via de universitaire 'black studies'-programma's. De meesten hebben nu comfortabele academische posities aan prestigieuze universiteiten aan de Oostkust. Aan de lopende band produceren ze bestsellers; ze zitten in redacties van intellectuele periodieken; ze schrijven columns, recensies en opiniestukken voor kwaliteitsbladen zoals The New York Times, The Washington Post en The New York Review of Books; en ze schuwen allerminst tv-optredens in populaire nieuwsshows en discussieprogramma's zoals Nightline en Oprah Winfrey.

Bovenal zijn ze zwart, en hun belangrijkste thematiek betreft allerhande kwesties van raciale aard. Vooral weten zij te verwoorden wat het betekent om heden ten dage zwart te zijn in Amerika. Vroegere vertegenwoordigers van de zwarte intelligentsia stelden veelal de onmenselijkheid van het blanke racisme aan de kaak, waarbij nog eens volop werd geworsteld met de eigen psychische problemen die van al dat onrecht het gevolg waren. De huidige generatie kenmerkt zich juist door een openhartige zelfkritiek en het afschudden van het raciale slachtoffercomplex. De doorbraak van nieuwe zwarte intellectuelen naar het grote publiek is mede het gevolg, zo wordt allerwege erkend, van het feit dat de raciale thematiek weer volop aftrek vond toen in de jaren negentig - zoals bij de kwesties rondom Rodney King en O.J. Simpson - het binnenlandse rassenvraagstuk opnieuw in het brandpunt van de Amerikaanse actualiteit geraakte.

Tot de coryfeeën van de 'new black intellectuals' behoort het rechtsgeleerde radicaal-democratische damestrio Kimberlé Crenshaw (Critical Race Theory, 1995), Patricia Williams (The Rooster's Egg, 1995) en de als 'Quota Queen' bekend staande Lani Guinier (The Tyranny of the Majority, 1994). De laatste zou een vriendin van de Clintons zijn geweest, en zij werd indertijd door de president voorgedragen als voorzitter van de burgerrechtencommissie. Toen dat nogal wat hilariteit teweegbracht, trok hij haar voordracht schielijk in.

Een andere vooraanstaande vertegenwoordiger is de dominee en hoogleraar mediakunde Michael Eric Dyson (bekend door Making Malcolm, 1995; Between God and Gangsta Rap, 1995). Vanwege zijn kennis van de zwarte stedelijke volkscultuur mocht hij ooit in een hoorzitting van het Congres de aanstootgevende rap-teksten cultureel duiden. Bekend werd Dyson vooral door zijn misschien ietwat groteske verheerlijking van pop-idool Michael Jackson wegens diens “wereldhelende postmoderne Afro-Amerikaanse seculiere spiritualiteit”.

Voorts schijnt ook Nobelprijswinnares Toni Morrison zich tot de new black intellectual te mogen rekenen, evenals de enigszins buitenissige New Age afrocentrist en hoogleraar interculturele communicatiekunde Asante Molefi, schrijver van The Afrocentric Idea (1987). Niet over het hoofd te zien zijn de tegendraadse en sombere jurist Derreck Bell en de postmoderne feministe Gloria Watkins alias bell hooks (zonder hoofdletters), die zowel faam als beruchtheid verwierf met haar recent verschenen Killing Rage, Art on my Mind en Outlaw Culture. Deze BMW-rijdende werkmansdochter met een luxe appartement in Greenwich Village, bekleedt aan de City University van New York nu dezelfde post als destijds de illustere Irving Howe. Haar werk staat vooral in het teken van de 'dekolonisering van het Afro-Amerikaanse bewustzijn' en van het fulmineren tegen de 'blanke racistische patriarchale kapitalistische machtsstructuur'. Vermaard werd hooks door haar ongemeen felle uitvallen naar onder meer de 'seksistische' zwarte filmregisseur Spike Lee en 'massa-consumptief sekssymbool' Madonna. Zeker is dat de marktstrategie van hooks net zo uitgekiend is als die van een pop-idool, en het is dan ook geen wonder dat haar nieuwe boeken steevast grif van de hand gaan.

Aan de andere kant van het ideologische spectrum staat nog een heel regiment van neo-conservatief georiënteerde zwarte denkers die zich juist verzetten tegen zaken als positieve discriminatie en het cultiveren van een Afrikaans-Amerikaanse eigenheid. Het meest vooraanstaand zijn momenteel de hoogleraar economie Glenn Loury (One by One from the Inside Out, 1995) en jazz-kenner Stanley Crouch (The All-American Skin Game, 1995). Bijzonder prominent is ook de letterkundige en historicus Henry Louis Gates Jr. van Harvard. Zijn faam dankt hij vooral aan zijn openlijke stellingname tegen het Afro-Amerikaans antisemitisme en zijn herhaalde oproepen voor redelijkheid en gematigdheid in de anti-Eurocentrische cultuuroorlog. Uit zijn meest recente boek Colored People: a memoir spreekt een opmerkelijk nostalgisch verlangen naar 'die goeie ouwe tijd', toen de apartheid wettelijk nog bestond en in het stadje waar hij opgroeide het zwarte gemeenschapsleven nog hecht en vibrerend was.

Van alle new black intellectuals is de dominee en cultuurfilosoof Cornel West veruit het meest spraakmakend. Alsof hij een stervoetballer was, werd hij verleden jaar van Princeton naar Harvard gehaald met een vorstelijk jaarsalaris zonder enige onderwijsverplichting. In 1993 brak West door met zijn essay-bundel Race Matters waarvan nu her en der gezegd wordt dat het minstens even belangwekkend is als destijds The Liberal Imagination van Lionel Trilling of The Other America van Michael Harrington. In Race Matters pleit West voor een nieuwe 'spirituele herbronning' en een morele herbewapening tegen de huidige 'nihilistische' tijdgeest. Hij wil de strijd aanbinden met zowel het 'materialistisch opportunisme' van de zwarte middenklasse als met de 'hedonistische en defaitistische armoede-cultuur' van de zwarte onderklasse. Als West de deplorabele toestand van de getto's aansnijdt, poogt hij behoedzaam te laveren tussen het conservatieve instinct om het slachtoffer de schuld van z'n ellende te geven en de progressief-liberale opvatting om alleen de maatschappij verantwoordelijk te stellen.

Deze zomer publiceerde West samen met zijn joodse boezemvriend Michael Lerner het veelvuldig geprezen Jews & Blacks: Let the healing begin, waarin zij in een onderling interview elkaar uitvoerig aan de tand voelen over hun standpunten en gevoeligheden. Dat West zich daarbij een sympathisant toont van de tegenwoordig nogal populaire anti-joodse zwarte moslimleider Louis Farrakhan, maakt het boek extra pikant.

Overigens is Lerner in Amerika ook geen onbekende. Deze psychotherapeut en hoofdredacteur van het joodse intellectuele tijdschrift Tikkun, timmert al jaren aan de weg met zijn 'reli-links' geïnspireerde 'politics of meaning' en zijn opwekkingsboodschap voor de herleving van het joodse oud-testamentische gedachtengoed. Lerner werd er zelfs enige tijd van verdacht de politieke goeroe van de Clintons te zijn, en vooral first lady Hillary scheen erg bevattelijk voor hem.

Enkele jaren geleden zorgden West en Lerner trouwens al voor een vermoedelijk zorgvuldig voorbereide publiciteitsstunt. Lerner stond te demonstreren bij de ingang van het congres van 's lands grootste zwarte burgerrechtenorganisatie The National Associaton for the Advancement of Colored People (NAACP). Tot heftige verontwaardiging van de joods-Amerikaanse gemeenschap was dat jaar ook Farrakhan uitgenodigd. Congresbezoeker West liep bij het binnengaan Lerner tegen het lijf, wat voor het oog van de camera's resulteerde in een theatraleomhelzing.

Rondom de nieuwe zwarte intellectuelen is het niet alleen jubel wat de klok slaat. De kritieken op de artikelen in The New Yorker en The Atlantic Monthly lieten niet lang op zich wachten. Het leek wel, zo werd gemonkeld, een presentatie van een 'nieuwe collectie intellectuelen' die verdacht veel weg had van een advertentie van 'United Colors of Benetton'. De doorbraak in de media leek volgens sommigen alleen maar te bevestigen dat door cynische marktexploitatie, produktpromotie en marktpositionering tegenwoordig ook in het literair-intellectuele bedrijf vrijwel alles aan de man kan worden gebracht. De vergelijking met de New York Intellectuals uit de jaren dertig zou, aldus een aantal critici, niet veel meer zijn dan een wat geforceerde verkooptruc om een kunstmatig bijelkaar geharkt allegaartje van publicisten van een kwaliteitskeurmerk te voorzien.

Cornel West werd het belangrijkste mikpunt van de backlash. Wellicht niet zonder afgunst werd de spot gedreven met zijn driedelige zwarte maatpakken, zijn gouden manchetknopen, zijn hang naar dure Europese automerken, zijn zescijferige boekcontracten en zijn gekoketteer met zijn eigen racisme-ervaringen zoals aan hem voorbijrijdende taxi's en willekeurige aanhoudingen door de politie. De meest serieuze kritiek op de new black intellectuals tot dusver was te lezen in het zich als 'post-ideologisch' profilerende politiek-intellectuele tijdschrift The New Republic. In een omslagartikel met levensgrote kop 'De neergang van de zwarte intellectueel' werden de publikaties van West afgedaan als: vage, zwaarwichtige, pseudo-intellectualistische, quasi-religieuze wartaal, bijna zo goed als waardeloos.

De meest verpletterende kritiek kwam evenwel van de zwarte politicoloog Adolph Reed. In een artikel in The Village Voice beschuldigt hij West, hooks, Dyson en bovenal Gates ervan 'token intellectuals' te zijn. Als moderne Uncle Toms zouden zij zich laten huren om aan de blanke culturele elite uit te leggen wat er in de 'duistere negerziel' schuilgaat en wat in deze raciaal onrustige tijd al dat zwarte 'tromgeroffel' te beduiden heeft. Het viertal zou, zo betoogt Reed, vooral uitblinken in het elkaar toezwaaien van incestueuze loftuitingen zoals in het geval van Gates die West 'de meest eminente zwarte intellectueel van onze tijd' noemt, of West die het werk van Dyson bestempelt als 'een mijlpaal in de Afro-Amerikaanse cultuurkritiek' en die over hooks zegt dat zij 'met een diep gevoel van urgentie schrijft over de existentiële en psychoculturele dimensies van het Afro-Amerikaanse bestaan'. Allemaal kleffe nep, aldus Reed die zelf het oeuvre van Dyson en hooks afdoet als bombastische clichépraat en flinterdunne psychobabbel.

De betekenis van intellectuelen in de moderne tijd is omstreden. In 1987 verscheen The Last Intellectuals van de Amerikaanse cultuurcriticus Russel Jacoby. De strekking van het boek was dat, zoals de Amerikaanse west-'frontier' dat in de jaren negentig van de vorige eeuw had gedaan, Amerika's culturele 'frontier' zich in de jaren vijftig had gesloten. De New York Intellectuals, zo stelde Jacoby somber, waren de laatste denkers geweest die aan een geïnteresseerd publiek nog iets te melden hadden en wier gedachtengoed nog een zekere cultureel-maatschappelijke betekenis had. Maar in weerwil van Jacoby's 'laatste intellectuelen' hebben we nu dan de 'nieuwe intellectuelen'. Gaat het daarbij om een grensverleggende intellectuele vernieuwing of slechts om een vluchtige media-hype? Of misschien iets er tussenin? En maakt dat tegenwoordig eigenlijk iets uit?

    • Thomas Bersee