Zonder Strijards geen Trust, zonder subsidie geen kunst

De rede die Elco Brinkman hield bij het afscheid van de Raad voor de Kunst, en waarvan NRC Handelsblad een bekorte versie afdrukte (op 28 december), vraagt om een reactie.

Sinds enige tijd concentreert het debat rondom de kunsten (en speciaal rondom het toneel), zich om het vraagstuk van de deskundigheid van de beoordelaars. In het rapport Berenschot valt voor het eerst de term 'smaakmonopolie'. Deze term of afgeleiden daarvan ('elite der cognocenti', Bolkestein; 'professionals', Blokland en Konings; 'Kunstkliekjes', Hans Onno van den Berg) is sindsdien inzet van vele beschouwingen. Het gaat daarbij om de vraag: wie bepaalt wat kunst is en - vooral - hoeveel geld er heen mag.

In deze discussie heeft zich nu ook de ex-minister van WVC, Brinkman, gemengd ('een bastion' met 'een gymnasiaal imago'). Hij passeert alle voorgaande sprekers moeiteloos ter rechterzijde als het gaat om ongenuanceerdheid, ongeïnformeerdheid, vooringenomenheid, harteloosheid en desinteresse.

In zijn 'feestrede' wreef hij het dit gerespecteerde college nog eens fiks in: “dat publiekelijk tal van klaagzangen worden aangeheven over uw raad en zijn voorgangers, waarvan de inhoud er meestal kortgezegd op neer komt, dat u elitair, afstandelijk en eenzijdig in uw oordeel zoudt zijn”.

Waar het om gaat - en dat is dus niet een domein waarover iedereen zich een oordeel kan aanmatigen zonder gehinderd te worden door ook maar een milligram informatie - is de ontwikkeling van de kunsten. Want over de geaccepteerde kunsten (symfonieorkesten, musea, opera, toneel en balletgezelschappen) zijn we het eens.

Maar over die ontwikkeling van de kunsten - of zoals Brinkman het noemt: de avant-garde - heeft hij een oordeel dat gespeend is van ieder gevoel voor wat hij zelf de “creatieve substantie van een bepaalde kunstuiting” noemt. Een nadere omschrijving hiervan ontbreekt helaas. Daar zit hem de crux van Brinkmans beweringen: hij wekt de indruk heel goed weten waarover hij het over heeft (quod non) en vervolgens gaat hij een instantie te lijf met hearsay en vooringenomenheid.

De term avant-garde wordt door Brinkman het meest misbruikt. Hij vraagt zich af of “de avant-garde op zijn retour lijkt” en suggereert en passant dat “de nieuwe figuratieven [...] misschien de nieuwe avant-garde (is)?” Alsof avant-garde iets zou zijn dat Brinkman met zijn fijne gevoel voor kunstgeschiedenis kan herdefinieren.

Brinkman suggereert dat avant-garde iets onbegrijpelijks is (want alleen gepromoot door hen die behoren tot het smaakmonopolie) en aangezien Brinkman die 'nieuwe figuratieven' begrijpt kan dat dus eigenlijk geen avant-garde zijn.

Brinkman vraagt naar “de sleutel tot erkenning en herkenning”. Als die er was, was er geen Raad voor de Kunst nodig, trouwens ook geen kunsthandel en geen kritiek. Dan kom je bij het door Geert Dales zo treffend omschreven “toegrijnzende smaakmonopolie van het publiek”, temidden van de meest ontstuimige bloemstillevens.

Het gaat om de verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van de kunsten, dat is het terrein waarop de overheid “ruimhartig en in meerdere mate” (Kunsten '92) middelen ter beschikking moet stellen. En of je die ontwikkeling nu waarneemt in het herontdekken van de authentieke speelwijze van de theorbe of in het laten onststaan van het Werkteater, dat maakt niets uit. Nodig daarvoor is deskundigheid, een zekere moed en vooral betrokkenheid.

Vernieuwing behoort tot de aard van de kunst. Vernieuwing komt voort uit de kunsten zelf en diegenen die zich daarmee bezighouden: een elite, zo men wil. Die kunst moet door de overheid gesteund en gesubsidieerd worden.

De kunst vormt als het ware de researchafdeling van de maatschappij. De kunst is de hoogste graad van cultuur en daarin staat de ontwikkelingsfunctie voorop. Die functie kan nooit ondergeschikt gemaakt worden aan de markt. Toen Timmer Philips reorganiseerde is hij niet begonnen te kijken naar het rendement van zijn researchafdeling. Hij liet die min of meer ongemoeid. Als je de ontwikkelingsafdeling sluit, kun je net zo goed je bedrijf sluiten. Dan haal je namelijk de toekomst uit je bedrijf. Als je de vernieuwing uit de kunst wegbezuinigt, haal je de toekomst uit de maatschappij.

Het opheffen van orkesten bij gebrek aan geld heeft niets met kunstbeleid en alles met krenterigheid te maken. Dat er van een zekere efficiëntie sprake moet zijn, lijkt me vanzelfsprekend, maar als je daar de ontwikkeling van de kunsten en dus de Raad voor de Kunst voor moet onderuithalen, dan lijkt me dat hetzelfde als het bepleiten van een verbod op nadenken.

De vrees dat er teveel aandacht naar het nieuwe en andere is uitgegaan is volkomen ongegrond als je beziet wat voor schitterende resultaten dat heeft opgeleverd. Als je bijvoorbeeld de meer dan voortreffelijke resultaten ziet die alleen al in het toneel geboekt zijn op artistiek gebied en de publiekstoename waarin dat heeft geresulteerd, dan moet men horende doof en ziende blind zijn als men Brinkmans achterhaalde vooroordelen serieus zou willen nemen.

Het Nederlands toneel zou nooit in zo'n bloeiperiode aangeland zijn als er niet geïnvesteerd was in ontwikkelingen in het Werkteater, Mickery en Shaffy. Zonder Janjoris Lamers en zijn Maatschappij Discordia, geen Hollandia of Nationaal Toneel. En zonder Globe of Gerardjan Rijnders geen Toneelgroep Amsterdam. Zonder Strijards geen Boermans of Trust en zonder subsidie geen kunst.

Je zou bijna aan politiek opzet gaan geloven (waarin bewust niet alleen de Raad voor de Kunst maar ook de kunsten in het algemeen in een kwaad daglicht gesteld worden door de CDA'er Brinkman, als een soort schot voor de boeg van de komende Kunstenplandiscussie), maar dan moet men ook het ongepubliceerde deel van de feestrede tot zich nemen en dat kan ik niemand aanraden.

De discussies over de kunsten spelen zich inmiddels gelukkig af buiten de invloed van Brinkman, waarlijk iets om dankbaar voor te zijn “juist in een tijd waarin gelukkig nieuwe behoefte ontstaat aan bezinning en bezieling” (om Brinkman nog een maal aan te halen).