Verwachting van vrijspraak groeit in RDM-affaire; Tweede voorkenniszaak Van den Nieuwenhuyzen van start

ROTTERDAM, 13 JAN. Lang hoeft het niet te duren, aanstaande maandag, wanneer ex-topman J. van den Nieuwenhuyzen van het industriële concern Begemann opnieuw voor de Amsterdamse rechtbank staat. De zitting is de voortzetting van de rechtszaak wegens beurshandel in aandelen Begemann door Van den Nieuwenhuyzen in mei 1991 ten tijde van de overname van de werf RDM van de Nederlandse overheid. Er is maandag niet meer dan een middag gereserveerd voor het requisitoir van officier van justitie mr. W. van Nierop en de verdediging door mr. L. Spigt en mr. G. Hoff.

Van den Nieuwenhuyzen wist van het overnameplan van RDM en profiteerde van die kennis, die andere beleggers misten, om te handelen in aandelen Begemann, zo zei Van Nierop vorig jaar maart. De officier van justitie, die inmiddels de voorkennis-portefeuille aan een ander heeft over gedaan, lanceerde de beschuldigingen tegen Van den Nieuwenhuyzen op de eerste dag van het HCS-proces, dat ook over beurshandel met voorkennis gaat.

De HCS-zaak draait om handel met voorkennis door Van den Nieuwenhuyzen en twee andere verdachten. De drie verkochten in 1991 grote pakketten aandelen van HCS, een automatiseringsbedrijf dat inmiddels failliet is. Zij dumpten de aandelen op de beurs na nachtelijk overleg met de banken van HCS, waarin overeenstemming was bereikt over een broodnodige kapitaalinjectie voor het wankelende automatiseringsbedrijf.

Rechtbank-president mr. M. Mastboom verwees de RDM-zaak vorig jaar na kort beraad terug naar de rechter-commissaris voor verder onderzoek, dat niet meer dan drie maanden mocht duren. Dat viel bitter tegen. Alles bij elkaar werden nog zo'n dertig getuigen gehoord, van de toenmalige minister van economische zaken dr. J. Andriessen die de beslissing moest nemen over de verkoop van RDM tot en met de journalist die de primeur had van Begemanns overnameplannen.

Ten tijde van de RDM-overnameplannen handelde Van den Nieuwenhuyzen in aandelen Begemann, waarvan hij niet alleen bestuursvoorzitter maar ook grootaandeelhouder was. Van den Nieuwenhuyzen heeft steeds gezegd dat hij de aandelen kocht voorafgaande aan een presentatie voor beleggingsanalisten in Londen. Hij verwachtte dat deze bijeenkomst tot aanzienlijke vraag van beleggers naar aandelen Begemann zou leiden. Om koersverstoring te voorkomen hield hij aandelen achter de hand als er grote vraag zou ontstaan. Eventuele winst in de aandelenhandel ging naar Begemann.

De verdediging beschikt over de rapporten van vier deskundigen, die alle vier in meer of minder omfloerste termen concluderen dat van handel met voorkennis rondom de RDM-aankoop geen sprake was. Gezien deze rapporten en de beperkte tijd die voor de zaak is gereserveerd, groeit in kringen rond de verdediging de verwachting van vrijspraak. Als het zo ver komt en als het openbaar ministerie geen hoger beroep aantekent, is de weg vrij voor een claim bij de staat voor vergoeding van de juridische kosten en wellicht ook een claim wegens geleden schade.

Of een schadevergoeding zal worden ingediend hangt ook af van de afloop van de HCS-rechtszaak. Die zaak is vorig jaar door de Hoge Raad verwezen naar het gerechtshof in Den Haag. De Hoge Raad vernietigde toen Van den Nieuwenhuyzens veroordeling tot zes maanden gevangenisstraf die het Amsterdamse gerechtshof had uitgesproken. Eerder had de rechtbank Van den Nieuwenhuyzen en zijn twee medeverdachten van voorkennis vrijgesproken.

Het Haagse hof zal de HCS-zaak op 5 en 6 maart behandelen. Eerst moeten twee vorige week door het hof benoemde deskundigen hun opinie geven: ex-topman A. van Os van het hoekmansbedrijf Van der Moolen en voorzitter mr. G. Panjer van de Vereniging van Beleggingsanalisten. Panjer was ook een van de deskundigen in de RDM-zaak, terwijl Van Os ruim drie jaar geleden al optrad als deskundige in de interne tuchtzaak van de effectenbeurs tegen de effectenmakelaar die de gewraakte orders van Van den Nieuwenhuyzen uitvoerde. In het HCS-dossier zitten overigens al vier rapporten van deskundigen, die van mening verschillen over de vraag of er sprake was van handel met voorkennis.

    • Menno Tamminga