Vandaag Erbakan, maar straks gewoon weer Çiller en Yilmaz

In Turkije hebben de moslim-fundamentalisten bij de verkiezingen gewonnen. Moet Europa zich wapenen tegen groen-gevlagde horden die Khomeiny's profetie van een geheel islamitische wereld komen vervullen? Daar hoeven we niet bang voor te zijn, meent Carolien Roelants.

De Turkse president Süleyman Demirel heeft de moslim-fundamentalisti-sche leider Necmettin Erbakan, winnaar van de recente parlementsverkiezingen, gevraagd een regering te vormen. Of Erbakan daarin zal slagen, is nog hoogst onzeker, al zegt hij “honderd procent” zeker te zijn van succes. Maar in zijn voordeel werkt wel dat de leiders van de twee grote conservatieve partijen, Yilmaz en Çiller, elkaar het licht in de ogen niet gunnen.

Misschien dus straks een fundamentalist als premier van Turkije! Precies het schrikbeeld dat demissionair premier Tansu Çiller het Europees Parlement voorhield in haar campagne vóór goedkeuring van de douane-unie tussen de Europese Unie en Turkije. “Als Europa nee zegt tegen ons, zegt het nee tegen een toekomst die twee culturen in harmonie samen kan brengen. Een nee-stem zou de fundamentalisten in het hele gebied de overhand zou geven, niet alleen in Turkije.”

Europa zei ja, maar Erbakans fundamentalisten wonnen toch. Niet zoveel, ze werden met 21,3 procent van de stemmen de grootste partij. Maar heeft Çiller verder misschien wèl gelijk - en al die anderen die al langer waarschuwen voor een groeiend islamitisch gevaar vanuit het Midden-Oosten? Moet Europa zich wapenen tegen groen-gevlagde horden die imams Khomeiny's profetie van een geheel islamitische wereld komen vervullen?

Erbakan heeft daarover vorig jaar nog opzwepende uitspraken gedaan: “Ik ben de leider op wie iedereen wacht, de hoop van alle moslims. Ik beloof de wereld te redden van de ongelovigen van Europa, de bodem die doordrenkt is van het bloed van de martelaren niet te laten bevlekken door de zionisten en imperialisten!” Staan de Turken weer voor Wenen?

Ach Erbakan, hij wil nu zó graag regeren dat hij al zijn uitspraken van voor de verkiezingen inslikt. Hij is bereid met elke partij samen te werken, en sluit geen concessie uit. Natuurlijk wil hij niet tornen aan het seculiere karakter van de Turkse staat, verzekert hij (en als hij dat wel zou doen, zou het leger onmiddellijk ingrijpen). Turkije mag niet langer de slaaf van het Westen zijn - maar lidmaatschap van de NAVO, de douane-unie, dat is ná de verkiezingen geen probleem meer.

Het huidige opportunisme van Erbakan zegt op zich niets over zijn daden als hij inderdaad premier zou worden. Hij heeft in de jaren zeventig ook al meegeregeerd, en hij heeft zich toen als vice-premier met name ingespannen zoveel mogelijk aanhangers op strategische functies in de ambtenarij te krijgen en zo op langere termijn een islamisering van de staat door te drukken. Maar ook dergelijke activiteiten zijn niet doorslaggevend.

De Turkse sociologe Nilufer Gole heeft er na de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 op gewezen dat de successen van de fundamentalisten juist moeten worden toegejuicht als “politieke expressie van sociale mobiliteit” van de laagste naar de middenklasse. De volgende stap is dan dat de Welvaartspartij-man van vandaag zich morgen bekeert tot Yilmaz of Çiller.

In plaats van zich zorgen te maken over het fundamentalistische aspect van de Turkse verkiezingsuitslag zou men zich verheugd rekenschap moeten geven dat slechts 21 procent van de Turkse kiezers op Erbakan stemde, terwijl 85 procent van het electoraat was opgekomen. Het grootste deel van de Turkse kiezers verkeert immers in een bijzonder slechte sociaal-economische positie en vormt daarmee in principe precies de aanhang die de Middenoosterse fundamentalisten aan zich plegen te binden.

Bovendien is de Welvaartspartij gemakkelijk de best georganiseerde partij in Turkije en heeft zij in de steden waar zij sinds 1994 aan de macht is, een goede pers. Met de voedseluitdelingen in arme wijken had zij de kiezers voor het binnenhalen moeten hebben.

In plaats daarvan lijken de uitslagen aan te geven dat de aanwas van de Welvaartspartij stagneert - althans op dit moment. Aanzienlijke winst boekte zij tussen de algemene verkiezingen van 1991 en de gemeenteraadsverkiezingen van 1994; sindsdien is er nog maar een enkel procent bijgekomen. In de grote steden Istanbul en Ankara - met fundamentalistische burgemeesters die een duidelijk minder corrupt bewind voeren dan hun seculiere voorgangers - liepen de percentages van de Welvaartspartij zelfs iets terug in vergelijking met 1994.

Turkije is natuurlijk ook geen Iran, met zijn snelle, geforceerde modernisering onder een sjah die alle contact met de werkelijkheid had verloren, en ook geen Algerije, waar op een bloedige onafhankelijkheidsoorlog een volkomen wezensvreemd marxistisch en corrupt bewind volgde. De secularisering van Turkije dateert al van de jaren twintig en is hoe dan ook veel dieper ingesleten dan elders in het gebied. En Turkije is au fond ook een veel moderner, verder ontwikkeld land dan Iran en Algerije, al zijn huidige - grote - problemen ten spijt.

Trouwens, ook de fundamentalisering van Iran en Algerije hapert. Technocraten krijgen steeds meer te zeggen in de Islamitische Republiek Iran. De islam bood er toch niet de oplossing, ook al roepen internationale fundamentalisten nog steeds het tegendeel. Met een economische toestand die slechter is dan onder de sjah voelen de mullahs zich gedwongen hun beleid te normaliseren. Export van de Islamitische Revolutie is een stuk minder belangrijk geworden dan die van olie en tapijten.

Het Algerijnse bewind leek nog maar twee jaar geleden op het punt te staan onder de druk van het fundamentalistische FIS te bezwijken. Maar blind geweld tegen burgers heeft daar de fundamentalisten vervreemd van de bevolking, die twee maanden geleden president Zéroual massaal haar steun gaf in over het algemeen eerlijk bevonden verkiezingen. Nu zoekt het FIS toenadering tot het bewind: zó snel kan dus een fundamentalistische golf door plaatselijke omstandigheden inzakken.

Dit alles wil niet zeggen dat Europa zich geen zorgen zou moeten maken over de toestand in Turkije. Maar dan geldt het oude Koerdische probleem, dat hier zoveel minder opwinding veroorzaakt dan de fundamentalisten en de vraag of die al dan niet het Westen zullen overspoelen. De oorlog in het Koerdische zuidoosten sleept zich voort, met al haar uitwassen, en ondermijnt, gestaag, de Turkse democratie of wat daarvan nog over is.

Een oplossing is niet in zicht - ook niet van Erbakan, die niet meer dan islamitische broederschap in het vooruitzicht stelt: het is al weer jaren geleden dat een persoon met visie, Turgut Özal, in Ankara aan het bewind was.

Maar intussen neemt het nationalisme onder Turken en Koerden steeds gevaarlijker vormen aan: een Turks-Koerdische burgeroorlog is heel wat waarschijnlijker dan één tussen seculiere en fundamentalistische staatsburgers.

In het zuidoosten bepalen de veiligheidsdiensten natuurlijk al jaren de gang van zaken, maar dat mist ook zijn uitwerking niet op leger en politie elders in het land. Bezetting, want daarop komt de militaire aanwezigheid in het zuidoosten neer, corrumpeert, zo weten ook de Israeliërs.

De dood van een linkse journalist, die deze week gewoon werd doodgeslagen nadat hij door de politie samen met honderden sympathisanten van ultralinkse gevangenen die in opstand waren gekomen, was opgepakt, is een macaber symbool van de ontwikkelingen in Turkije.

    • Carolien Roelants