Top-Gun

Ieder krijgsmachtonderdeel heeft zijn eigen paradepaardje, een selecte groep ijzervreters die alleen ten tijde van hoogste nood mogen worden ingezet. Ze zijn de laatste troefkaart van een natie; laten zij verstek gaan of falen ze op welke andere wijze dan ook, dan is alles verloren en rest er niet veel meer dan capituleren.

Bij de grootste horde, de landmacht, heten zij commando's. Jongens en mannen uit één stuk. Deze groep kan werkelijk alles: parachutespringen, duiken, bergbeklimmen, skiën, scherpschieten, en vooral volhouden. Met name die laatste, schijnbaar onbenullige eigenschap, zorgt ervoor dat zij en niet anderen de zo fel begeerde groene baret op hun kop geplant krijgen.

Bij de zeemacht staat deze clan bekend, en wie weet dit niet, als 'mariniers'. Ook zij zijn getraind in dezelfde disciplines als hun landmachtcollega's met het verschil dat zij hun oorlogstaken voornamelijk op en om het water zullen uitvoeren. Een zeer bijzondere en belangrijke specialisatie daar een land doorgaans de nare gewoonte heeft de bewaking van zijn zeegrenzen te verwaarlozen. Grote bekendheid verkregen zij in de jaren zeventig toen zij de hippies van de Dam trapten en op spectaculaire wijze een einde maakten aan de Molukse gijzelingsacties. Een democratie dient immers verlost te worden van klaplopers en ondankbare uitzuigers en zij liepen zich toevallig, na het echec op de Grebbeberg, al dertig jaar stierlijk te vervelen... Twee dingen voor de prijs van één.

De derde club is een ander verhaal. De luchtmacht kent geen boomtorsers en waterdragers. De luchtmacht is in zijn geheel een elitekorps zoals een elitekorps behoort te zijn, schone handen en zuiver intellect. Zowel het grondpersoneel als de mannen in de vliegmachines zijn zich van dit feit bewust en gedragen zich dan ook als zodanig. Een groep lichtelijk hautaine maar niet onvriendelijke jongemannen waarvan we die vrijdag een zestal aspirant top-gun piloten voor een long-weekend te logeren kregen.

Een uitwisselingsprogramma. Een voor de liefhebbers in het leven geroepen uitstapje om de dodelijke verveling die een oorlogsmachine in vredestijd nu eenmaal teistert, wat te doorbreken.

Het was laat in de middag toen ze in de stromende regen de valreep op kwamen sjokken. Een paar dagen meevaren had ze - toen het ze werd aangeboden - nog fantastisch geleken maar nu het eenmaal zover was en de weergoden voor het weekend hadden besloten voor de verandering maar weer eens alles uit de kast te halen, leken ze opeens een stuk minder enthousiast.

Twee van hen sliepen in mijn verblijf. Ik wees ze hun bedden en adviseerde ze, na het zien van hun krijtwitte gezichten, alvast in de kombuis wat crackers te gaan halen.

Een half uur later kwam ik langs om te zien of ze al een beetje gesetteld waren. Wat ik aantrof was droefenis van de bovenste plank. Hun weekendtassen stonden nog precies daar waar ze een half uur daarvoor waren neergesmeten en her en der over de vloer lagen blauwe stukken uniform. Boven het gezoem van de airco uit hoorde ik een moeizaam kreunen begeleid door een zacht knabbelen. Daar lagen ze, boven elkaar in het stapelbed. Ik schoof de gordijntjes een stukje open en zag hoe twee bleke dodenmaskers mij angstig aankeken. Beiden hadden een stapel crackers en een emmer binnen handbereik. Op mijn vraag wat er aan de hand was vroegen ze mij bijna smekend wanneer we weer zouden binnenlopen. Een vraag die ik onmogelijk kon beantwoorden omdat we nog vast aan de kade lagen.

    • Marcel Vaarmeijer