Teleurgestelde zionist

HERMAN COHEN: Jood in Palestina. Herinneringen 1939-1948

351 blz., Meulenhoff 1995, ƒ 45,-

In november 1939, zes maanden voor de Duitse inval, vertrok Herman Cohen naar het Beloofde Land. Enkele jaren tevoren had hij met het oog op zijn emigratie - 'alijah' in de zionistische terminologie - zijn universitaire studie oude talen verruild voor een opleiding tot bouwkundige aan de MTS. Bij het afscheid konden hij en zijn ouders niet vermoeden welk een dramatisch verschillende jaren zij tegemoet gingen.

De vader van Herman Cohen, David Cohen, was hoogleraar oude geschiedenis en bekleedde daarnaast tal van functies in de joodse gemeenschap. Zijn loopbaan zou een tragische climax vinden in het gedeelde voorzitterschap van de Joodse Raad tijdens de Duitse bezetting. Terwijl uit Nederland meer dan honderdduizend joden werden gedeporteerd, beleefde Herman Cohen in het Britse mandaatgebied Palestina een buitengewoon boeiende tijd. In zijn herinneringen aan de jaren 1939-1948, die hij in Jood in Palestina heeft opgetekend, stelt hij vast dat de joden in Palestina zich distantieerden van de oorlogsellende. “De waarheid is dat wij op een gegeven ogenblik alle bezorgdheid van ons afschoven, afstand namen en voortaan een eigen, vol en dynamisch leven leidden, alsof er geen oorlog aan de gang was.”

Toen na de oorlog het contact met zijn familie in Nederland werd hersteld, werd niet gesproken over de Joodse Raad, Westerbork en Theresiënstadt. Tijdens het weerzien met zijn ouders in 1947 bleef dat zo, terwijl op dat moment twee procedures liepen tegen David Cohen wegens zijn handelwijze als voorzitter van de Joodse Raad. Het bericht van de arrestatie van zijn vader dat Herman Cohen kort na zijn terugkeer in Palestina bereikte, kwam dan ook als een complete verrassing. De strafklacht tegen Cohen en mede-voorzitter Asscher werd uiteindelijk geseponeerd, maar de Joodse Ereraad sloot hen voor het leven uit van het bekleden van functies in de joodse gemeenschap. Langzaam maar zeker zou Herman Cohen meer gaan begrijpen van wat zich in de oorlogsjaren in Nederland en de rest van Europa had afgespeeld.

Maar Jood in Palestina is vooral een uiterst lezenswaardige beschrijving van die wonderlijke samenleving in het Britse mandaatgebied, waar Engelsen, Arabieren en joden naast elkaar leefden, door Cohen treffend gekarakteriseerd als een driehoeksverhouding zonder liefde. Hij bewoog zich vrijwel uitsluitend in kringen van Duitse intellectuelen en kunstenaars. Paradoxaal genoeg waren zij in Palestina pas echt in ballingschap beland. Buitengewoon boeiend is Cohens beschrijving van het idealisme en zelfvertrouwen dat de pioniers in Palestina bezielde, waardoor zij levensgevaarlijke situaties, zoals de vijandelijkheden in 1948, praktisch zonder angstgevoelens doorstonden. Maar ook de passages over Cohens ontmoetingen en gesprekken met de stijve Engelsen, die niet goed raad wisten met de vrijmoedige houding van de joden, zijn zeer de moeite waard.

Arabieren

Een steeds terugkerend punt in de herinneringen is het lot van de derde partij in de driehoeksverhouding, de Arabische bevolking van Palestina. De joden waren nauwelijks geïnteresseerd in de leefwijze en gevoelswereld van hun Arabische buren. Cohen was dat wel, en door zijn werk als opzichter in de bouwsector kwam hij veel met Arabieren in aanraking. Hij toont in zijn boek dan ook begrip voor de Arabische afwijzing van het 'Partition Plan'. “Welk volk ter wereld zou zomaar de helft van zijn grondgebied afstaan? En dan nog aan wildvreemden uit een andere civilisatie, die daar een eigen staat wilden stichten.” Het onbegrip van de meeste Israeli's om hem heen voor het Arabische standpunt noemt hij een 'ongelukkige etnocentrische karaktertrek'.

Toen in de oorlog van 1948 de Arabische inwoners massaal wegtrokken, vertelden de Israelische leiders de bevolking dat de Arabieren dit deden op aandringen van hun eigen leiders. Eigen observaties brachten Cohen echter tot de slotsom dat dit een 'verzinsel' was van de Israelische autoriteiten die daarmee de “verantwoordelijkheid voor het vluchtelingenprobleem van zich af wilden schuiven”. Al in 1948 zag Cohen de verlaten Arabische wijken van Jeruzalem als een wond die eens “geheeld moest worden, wilden wij joden, wij Israeli's ooit werkelijk in vrijheid kunnen leven”.

Verschillende keren blikt Cohen vooruit naar de periode na 1948. Als bevlogen en idealistische jongeman had hij zich met hart en ziel gewijd aan de opbouw van een joodse staat, maar kort na de Israelische overwinning in de Zesdaagse Oorlog van 1967 hield hij het voor gezien. Het nationalisme en de hoogmoed die hij toen in de joodse staat waarnam, stonden haaks op zijn idealistische zionisme.

Ten slotte is het interessant dat de herinneringen van Herman Cohen aan de jaren 1939-1948 op belangrijke punten sporen met de visie op deze roerige periode van de zogeheten 'nieuwe historici' in Israel. Daar woedt onder geschiedschrijvers de laatste jaren een fel debat, dat vooral gaat over het ontstaan van het Palestijnse vluchtelingenprobleem en de relatie tussen de Holocaust en de (oprichting van de) staat Israel.

De verzoening van het zionisme en het Palestijns nationalisme die op dit moment wordt gerealiseerd, zal door Cohen in Nederland met grote belangstelling èn instemming worden gevolgd. Na lezing van Jood in Palestina denk ik dat Cohen de erkenning van het Palestijnse zelfbeschikkingsrecht ervaart als een noodzakelijke correctie van een historische vergissing van de pioniers.

    • Conny Kristel