Sekse kent geen grenzen

JOLANDE WITHUIS: De jurk van de kosmonaute. Over politiek, cultuur en psyche

259 blz., Boom 1995, ƒ 38,50

“Ik zal braken van al wat geëmancipeerde vrouw is” schreef de dichter Jacques van Hattum in 1947 in het PvdA-blad Paraat over mevrouw Ana Pauker, minister in de nieuwe Stalinistische regering van Roemenië. De sociaal-democratische poëet legde een opmerkelijke culinaire fantasie aan de dag: het liefst, verklaarde hij, zou hij de communistische bewindsvrouwe “fijnhakken” om haar vlees vervolgens à la Tartare te bereiden. Een echte fijnproever, die Van Hattum!

Zo kon het in 1947 nog gezegd worden. Zestien jaar later was de Koude Oorlog wat geluwd. Er heerste nu een andere toon en de gastronomie was vervangen door astronomie. De Russen brachten de zesentwintigjarige Valentina Teresjkova in een baan om de aarde en het Westen had, net als ten tijde van de eerste Spoetnik het nakijken. De houding van de Nederlandse pers tegenover Moskou was genuanceerder geworden. De jonge kosmonaute wekte veel sympathie en de benaming Miss Universe kreeg een voorheen onvermoede betekenis. Alleen de Wereldkroniek ging nog op de oude voet voort en verklaarde dat de lancering van Valentina perfect paste in het Russische plan om Mars te koloniseren. Eén ding was echter niet veranderd: in 1963 zo goed als in 1947 speelde sekse een hoofdrol in de reacties. Maar niet op dezelfde manier. Terwijl Ana Pauker werd afgeschilderd als een afstotelijke, liefdeloze Kenau, kon bijna geen journalist over Valentina Teresjkova schrijven zonder het over haar sex appeal te hebben. De commentaren hadden echter dikwijls een verbaasd-verongelijkte ondertoon, alsof een vrouw 'daarboven' toch niet werkelijk thuishoorde: zo'n charmant meisje helemaal alleen in die oneindige ruimte, èng hoor!

Zowel de biefstuk-minnende dichter als de lieftallige astronaute speelt een hoofdrol in het titel-essay van De jurk van de kosmonaute waarin de sociologe Jolande Withuis een aantal opstellen bijeen heeft gebracht die verbonden worden door enkele centrale thema's: de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog, de Koude Oorlog, de politieke cultuur van het communisme en de betekenis van gender voor het maatschappelijke en persoonlijke leven.

Dissertatie

Geen nieuwe onderwerpen voor de auteur die zes jaar geleden promoveerde op een alom geprezen dissertatie over de cultuur en de belevingswereld van de communistische vrouwenbeweging in het naoorlogse Nederland. Op één na alle hier verzamelde stukken gaan over de oorlog, het verzet en de communistische politiek: het lot van de Amerikaanse communiste Ethel Rosenberg, de verdrongen herinnering aan seksueel geweld in oorlog en verzet, de nationale feestrok en het 'wederopbouw-feminisme' van de eerste naoorlogse jaren, de Koude Oorlog als 'gendered battleground', de identiteit van de communistische vrouwen na de oorlog, en de betekenis van de oorlog voor de Nederlandse vrouwen. Alleen de twee essays over het Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging en 'een eeuw feminisme en moederschap' staan enigszins los van de rest.

Het hoofdthema van het boek is de sociologische en sociaal-psychologische analyse van de interactie tussen sekse en andere sociale rasters zoals godsdienst, klasse of politiek. Withuis laat op een overtuigende manier zien dat sekse (gender) een alomtegenwoordig, haast onvermijdelijk ordeningsprincipe van het sociale en politieke leven is, ook waar men dat op het eerste gezicht misschien niet zou vermoeden, zoals in de internationale politiek. Ze doet dat bovendien op een aantrekkelijke manier, in een serie fijnzinnige sociologisch-historische zedenschetsen. Haar werkwijze maakt, beter dan een theoretisch betoog, zichtbaar dat sekse zelden een simpele, ondubbelzinnige lading heeft. Sekse is een sociaal begrip dat zich voordoet als een vanzelfsprekende tweedeling van de wereld ('je hebt nu eenmaal mannen en vrouwen'). In de praktijk heeft het echter een hoog kameleontisch vermogen, het neemt de kleur van de historische omgeving aan zonder daarin ooit geheel op te gaan. Gender is er ook als de mensen het niet willen zien, het vergeten zijn, of als er nog slechts een vage weerschijn van over is, zoals de in de lucht hangende glimlach van de Cheshire Cat nog altijd getuigt van de aanwezigheid van iets 'kattigs' (hier bij uitzondering in sekse-neutrale betekenis gebruikt). She's not knitting, schreef een Engelse krant onder een foto van Valentina Teresjkova temidden van een spinneweb van elektriciteitsdraden.

De manier waarop Withuis het gender-perspectief hanteert, heeft echter ook iets verraderlijks. Het lijkt bij oppervlakkige lezing alsof het haar centrale begrip is, de ruggegraat van haar sociologie. Dat is echter niet zo. Het begrip dat haar verhalen feitelijk draagt, is niet sekse maar cultuur, door haar opgevat als de manier waarop mensen hun wereld ervaren en betekenis geven. In korte theoretische beschouwingen zet zij dit cultuur-sociologische perspectief af tegen twee andere benaderingen, aan de ene kant tegen een economisch-deterministisch klasse-begrip en aan de andere kant tegen wat ze zelf noemt een meer linguïstisch-filosofisch type onderzoek.

Hier is zij minder overtuigend dan in haar empirische werk. Ten eerste is haar cultuur-begrip niet scherp omlijnd. Aan de ene kant is het zo breed dat het praktisch alles omvat, zodat iedere sociale identiteit als 'cultureel' kan worden gekwalificeerd. Maar Withuis gebruikt cultuur tegelijk in een meer specifieke betekenis wanneer ze het als contra-begrip tegen klasse inzet, cultuur sluit dan de sociaal-economische dimensie van de menselijke ervaring uit. Als ze bijvoorbeeld zegt dat voor de communistische vrouwen de communistische cultuur belangrijker was dan enige klasse-identiteit, interpreteeert ze die cultuur van binnenuit in termen van mentaliteit en psychologie, en bovenal van politieke psychologie.

Dat kan natuurlijk, maar er is evengoed een onderzoek denkbaar dat de subtiele verschillen tussen proletarische communisten en intellectuele bourgeois-communisten als uitgangspunt hanteert (de CPN als sociale organisatie is aan die laatste tegenstelling ongeveer ten onder gegaan). In zo'n onderzoek zou de communistische politieke cultuur waarschijnlijk als een kunstmatige, geforceerde constructie verschijnen die andere ervaringsvormen onderdrukte. De communisten waren tenslotte al sinds Lenin gewend om een 'correct' klassebewustzijn in te zetten tegen een vermeend primitief proletarisch sentiment.

Definities

Withuis heeft gelijk als ze pleit voor een culturele, niet economisch-deterministische analyse van klasse-ervaringen, maar haar cultuur-begrip mist de scherpte die zo'n onderzoek vereist.

Dat heeft iets te maken met de andere onderzoekstraditie waartegen ze zich afzet, de linguistic turn in de geschiedenis en de sociale wetenschappen. Daarin gaat het over de machtseffecten van dominante definities van de werkelijkheid, over de manier waarop bepaalde manieren van spreken ervaringen van mensen mogelijk maken of ze juist marginaliseren. De vraag is dan niet langer of sekse, of klasse of wat dan ook het belangrijkste zijn, maar welke sociale en politieke projecten mogelijk of onmogelijk worden door ze als belangrijk of onbelangrijk te definiëren. Een dimensie die in het onderzoek van politieke bewegingen eigenlijk niet mag ontbreken, zeker niet in het geval van het communisme waarin de 'plicht tot het juist taalgebruik' zo'n overheersende rol heeft gespeeld.

    • Siep Stuurman