Rood gevaar

H. KLEHR, J.E. HAYNES, F.I. FIRSOV: The Secret World of American Communism

348 blz., geïll., Yale University Press 1995, ƒ 50,50

Door Amerikaanse geschiedschrijvers is de Amerikaanse communistische partij (CPUSA) nooit serieus genomen. Zij werd gezien als een kleine beweging die ideologisch weinig met Moskou op had en haar bestaansrecht vooral ontleende aan concrete politieke doelen zoals strijd tegen racisme en werk voor de vakbonden. Ook toen bekend werd dat de partij, na een gecompliceerde factiestrijd in de jaren twintig, een trouw uitvoerder werd van de in Moskou genomen besluiten en via haar Amerikaanse intellectuelen door de Komintern werden ingeschakeld om het communistische gedachtengoed uit te dragen, konden de meeste historici zich niet opwinden over de organisatie.

Alleen al uit de catalogus van de Library of Congress kan geconstateerd worden dat de geschiedschrijvers meer met de gevolgen van de anti-communistische heksenjachten in de maag zitten dan met rol van de communistische partij. Terwijl de catalogus slechts een kleine tweehonderd publikaties over de CPUSA bevat, toont het register drie keer zo veel boeken over de 'Red Scares' van 1920 en 1953. Het historische oordeel over de eerste heksenjacht is trouwens milder dan over de tweede. In de context van de revolutionaire woelingen in Europa in 1918, de massale stakingen van mijnwerkers en metaalwerkers en het gewelddadige optreden van anarchisten in de grote Amerikaanse steden, was de reactionaire respons van de natie historisch gezien verklaarbaar. Minder begrip was er voor de razzia's van minister van justitie, A. Mitchell Palmer, waarbij honderden mensen verdacht van revolutionaire praktijken zonder vorm van proces werden opgepakt en 500 'romantische revolutionairen' op de boot naar Rusland werden gezet.

De historici Klehr, Haynes en Firsov, die in 1993 toegang kregen tot de archieven van de Komintern en de Communistische Partij in Moskou, ontdekten dat de CPUSA meer was dan een frivool genootschap waartoe een groot aantal Amerikaanse intellectuelen zich aangetrokken voelde. Op basis van 92 door hen geselecteerde en geredigeerde Komintern-documenten laten zij in hun The Secret World of American Communism zien dat de leiding van de partij wel degelijk betrokken was bij 'under-cover'-activiteiten voor de NKVD, de voorloper van de KGB, en verantwoordelijk gesteld kan worden voor een groot aantal illegale acties in de periode 1918-1950. Zo presenteren de auteurs een document waarin wordt aangetoond dat de oprichter van de Amerikaanse communistische partij, John Reed, in 1918 met bolsjewistisch goud betaald werd om zijn organisatie tot ontwikkeling te brengen.

Verbazingwekkend zijn de in dit boek afgebeelde archiefstukken met informatie over de mate waarin de Russische geheime inlichtingendienst in Washington in de jaren dertig en veertig vaste voet aan de grond had. Zo blijkt dat de inhoud van de briefwisselingen tussen de Amerikaanse ambassadeur William Bullit en het State Department eerder bij Moskou dan bij Roosevelt bekend was, en valt op te maken dat de spion Morris Cohen onder de codenaam Louis met succes infiltreerde in het Manhatten Atoomproject. Uit de gepresenteerde documenten kan de conclusie worden getrokken dat de CPUSA stijf stond van de Komintern-subsidie, maar ook dat de getuigenissen van de hoofdpersonen in de McCarthy-hoorzittingen meer serieus moeten worden genomen dan tot nu toe het geval was.

Toch rijst bij lezing van dit boek de vraag of de auteurs met deze beperkte selectie van de documenten niet al te suggestief in de weer zijn. Hun aankondiging van een publikatie waarin op basis van de Komintern-archieven de relatie tussen Moskou en de Amerikaanse burgerrechtenbeweging centraal zal staan, wekt dan ook enige argwaan.

    • Hans Veldman