Onrust om spaarloon

'De consument betaalt, de overheid kijkt toe en de verzekeringsmaatschappij is de lachende derde', luidt de ondertitel van een kritisch rapport van de Amsterdamse hoogleraar Arnoud Boot over de hoge kosten van koopsompolissen. Dat zijn verzekeringen waarmee men, tegen betaling van een van het belastbare inkomen aftrekbare eenmalige premie (koopsom), in de toekomst een lijfrente (individueel pensioen) koopt.

Verzekeraars houden er niet van wanneer een buitenstaander als Boot hen aan de schandpaal nagelt. Minister Zalm (financiën) vindt echter dat de onderlinge concurrentie (de markt) vanzelf leidt tot betere prijzen en tot een correctie van de vermeende misstand. Daaram wil hij geen maatregelen nemen.

Terecht. Hoewel? De koopsompolismarkt is voor een consument minder doorzichtig dan die voor bijvoorbeeld spaarrekeningen, waarop Spaarbeleg en Roparco in alle openheid tegen elkaar opboksen en de trend zetten.

Er bestaat sinds kort wellicht een andere mogelijkheid om verzekeraars tot lagere kosten te dwingen. Het gaat om de combinatie van een bedrijfsspaarregeling met een pensioenregeling. Werknemers moeten als regel het saldo van hun spaarregelingen vier jaar laten rijpen voordat ze er iets mee mogen doen. Aan die blokkering kunnen ze onder meer ontsnappen door hun besparing fiscaal vriendelijk te investeren in een kapitaalverzekering of een lijfrenteverzekering, zoals de koopsompolis. Door een gunstige samenloop van twee belastingvoordelen zijn sommige lijfrenteverzekeringen bijna gratis. Zie ook deze rubriek van zaterdag 6 januari.

Assurantietussenpersonen en verzekeraars doen goede zaken op deze nieuwe markt met een geschatte premie-omzet van meer dan een miljard gulden per jaar. Die bevoordeling van een individuele oudedagvoorziening boven andere voorzieningen is niet logisch. Dat vindt ook de werkgroep Witteveen (Fiscale behandeling pensioenen) die vorig jaar kwam met een (gratis) rapport vol aanbevelingen (aan te vragen bij de plaatselijke belastingdienst), waarmee de ministerraad op 1 september instemde. Een ervan is dat spaarloon ook besteed mag worden aan collectieve pensioenverzekeringen, ondergebracht bij een pensioenfonds of een verzekeraar. Via deze weg kan een werknemer zijn pensioen flexibiliseren, individueel aanpassen aan eigen behoeften. De Velpse pensioenadviseur Wiebe de Haan illustreert dit met een recent praktijkvoorbeeld.

In de nieuwe pensioenregeling van een onderneming, ondergebracht bij een verzekeraar, kunnen deelnemers op drie manieren vrijwillig aanvullende premies betalen en bestemmen voor een extra pensioen of (verdere) vervroeging van de pensioengerechtigde leeftijd. Ze betalen die (aftrekbare) premie door inhouding van een vast percentage of bedrag op hun inkomen. Of door 'verkoop' van vrije dagen tegen een 'prijs' van 5 procent van het maandsalaris. Of met bedragen uit de spaarloonregeling - in 1996 maximaal 1.615 gulden - nadat de Wet op de loonbelasting op dit punt is gewijzigd. De derde mogelijkheid is fiscaal gezien het gunstigst, hoewel de bedragen aan een geïndexeerd maximum zijn gebonden.

Volgens De Haan is een werknemer die mag kiezen tussen een zelf gesloten lijfrenteverzekering, tegen koopsom of jaarlijkse premie, en een verbetering van zijn pensioenregeling om twee redenen beter af met het nieuwste alternatief. Een pensioenfonds of collectieve pensioenregeling berekent haar deelnemers minder kosten dan een individuele levensverzekeraar, en de werknemer verdeelt zijn pensioenaanspraken over minder beheerders. Daar komt nog bij dat bij ontslag de gekochte extra aanspraken bij waarde-overdracht van de oude naar de nieuwe werkgever, meelopen met de rest van het pensioen. Dit is vooral voordelig wanneer men overstapt naar een eindloonregeling. Aldus de Velpse pensioenadviseur.

Wanneer werknemers op grote schaal kiezen voor de koppeling van spaarloon aan pensioen, ten koste van lijfrenteverzekeringen, dan sluiten tussenpersonen en levensverzekeraars minder nieuwe verzekeringen en zullen bestaande verzekeringen worden opgezegd. De vraag naar bijvoorbeeld koopsompolissen kan sterk verminderen. Dat dwingt verzekeraars misschien tot scherpere prijzen en lagere kosten.

Hoe reageren verzekeraars op deze ontwikkeling? Aegon zegt in een schrijven voor de zakelijke markt: “Wanneer een werknemer zijn spaargeld deblokkeert, kan hij dit beter doen voor een lijfrenteverzekering. Dit heeft de volgende vier voordelen. De gelden zijn als persoonlijke verplichting aftrekbaar van het belastbare inkomen. Lijfrenteverzekeringen vallen niet onder de Pensioen- en Spaarfondsenwet, zoals pensioenverzekeringen, en kennen daarom onder meer geen afkoopverbod. Vallen niet onder de pensioenverevening (is: verdeling van rechten) bij echtscheiding. En als vierde: het extra rendement dat een verzekeraar maakt, komt voor een deel ten goede aan de verzekerde als hogere uitkering.”

Wat vindt De Haan van die raad? “De pensioenpremie is ook aftrekbaar van het inkomen. Het doorschuiven van extra rendement naar de verzekerde kan ook in een pensioenregeling worden opgenomen. Bij echtscheiding valt de waarde van een lijfrentepolis wèl onder een eventueel te verdelen echtelijke boedel. Ik blijf bij mijn voorkeur voor de koppeling met een pensioen.”

Is er misschien een gulden middenweg? Ja. Wanneer verzekerden kiezen voor de pensioenroute, blijft hun toegestane lijfrentepremie-aftrek intact en komt er meer ruimte voor extra pensioen. Gezien de recente ontwikkelingen - Philips wil de toekomstige pensioenrechten wat terugschroeven - is die ruimte hard nodig.

    • Adriaan Hiele