Oefenen op de split-step in een koude tennishal

De Australian Open, die maandag begint, is de eerste serieuze krachtmeting van het nieuwe tennisseizoen. In Melbourne hoopt Jan Siemerink de vruchten te plukken van de zweetdruppels die hij de afgelopen maand vermorste in een koude tennishal in Amsterdam.

AMSTERDAM, 13 JAN. Denk aan die split-step. Houd het blad boven je pols. Blijven dribbelen. Kom op, maak af, die volley.

Het enthousiasme van coach Tjerk Bogtstra werkt aanstekelijk. Jan Siemerink laat zich zonder tegenstribbelen opjutten. Steeds feller en agressiever snijdt zijn slice-backhand door de lucht, steeds scherper en dieper vliegt de daaropvolgende forehand-volley over het net.

Siemerink trainde de maand december vier uur per dag op een indoorbaan in het Frans-Ottenstadion in Amsterdam. Het tennisseizoen duurt van de eerste week in januari tot eind november. De professionals reizen maandenlang haastig van continent naar continent. Na het slopende circuit nemen de meeste profspelers twee weken vakantie voor ze zich vol goede moed op een zware trainingsperiode storten.

“Het is de enige keer dat je, vier tot vijf weken lang, echt aan de basis kan werken”, vertelt Siemerink in Amsterdam tijdens een lunch van zelf klaargemaakte bruine boterhammen met kaas. “Begin december begint voor mij het nieuwe jaar.”

In series van tien rustig en tien voluit oefent Siemerink met zijn coach Bogtstra, die hem sinds een jaar begeleidt, slagenwisselingen waarbij Siemerink zo ver mogelijk vóór de baseline stapt en de bal zo direct mogelijk terugslaat. Tussendoor blijft hij dribbelen. Tientallen keren snelt hij achter een slice-backhand aan naar het net om de bal met een volley weg te leggen. Steeds maakt hij de split-step. Tot slot serveert hij, onder de belangstellende blikken van de veteranen die de baan voor het volgende uur hebben gehuurd, het hele winkelwagentje met ballen naar de overkant.

“Toen ik zestien was trainde ik niet om beter te worden, maar omdat ik tennis leuk vond”, zegt Siemerink. “Pas toen ik professioneel werd, op mijn negentiende, ging ik iedere dag tennissen. Toen ging ik met sprongen vooruit. Het gaat er om dat bepaalde slagen, bepaalde oplossingen een automatisme worden. De bewegingen moeten er in slijpen. Daarom moet je dergelijke oefeningen tot in het oneindige blijven herhalen.”

Siemerink traint in december, en in de weken dat hij geen toernooi speelt, gemiddeld twintig uur per week. Drie tot vier uur per dag techniek. Drie keer per week anderhalf uur conditie-training. Af en toe krachttraining: niet om spierballen te kweken, maar om complete spiergroepen te versterken en te onderhouden. De zondag heeft hij vrij.

“Met schaatsen kan je naar een evenement toewerken met je trainings-schema's”, legt de tennisser uit. “Je weet wanneer en hoe laat je moet rijden. Met tennis moet je een heel seizoen lang goed presteren. Je kan wel schema's afwerken en eenvoudig het rijtje afgaan: service, return, volley, forehand, backhand. Maar als ik deze maand iedere dag twee uur serveer, wil dat niet zeggen dat ik mezelf daarmee klaarstoom voor het nieuwe seizoen. Het is moeilijk om op tijd in vorm te komen. Daarvoor moet je wedstrijden spelen.”

Op de training simuleert het duo situaties die in wedstrijden voorkomen. “De training is volledig gericht op de praktijk”, zegt de 29-jarige Bogtstra. De coach, die vijf jaar geleden stopte met wedstrijdtennis na twee opeenvolgende hernia's, heeft zelf in de Nederlandse top gespeeld en fungeert bij de training als aangever en tegenstander. “Dat is een groot voordeel”, zegt Siemerink. “Het is makkelijk, maar niet noodzakelijk”, vult Bogtstra aan. “Als ik geblesseerd ben, kan ik hier genoeg spelers bellen die met hem willen sparren. En ook op toernooien zijn er altijd genoeg tegenstanders te vinden.”

Siemerink traint niet specifiek op tactische en mentale aspecten. Die komen het hele jaar door aan de orde bij de voor- en nabespreking van de wedstrijden. “Na een wedstrijd kan ik precies vertellen wat het verschil maakte tussen winst of verlies. Het draait altijd om kleine dingetjes.” Bogtstra: “Als ik iets noem wat hij fout heeft gedaan, zegt Jan: ja dat was op 4-3, 15-30. Een speler beleeft zo'n wedstrijd heel intensief.”

“De tactiek is in het algemeen heel simpel”, zegt Bogtstra. “Jan gaat uit van zijn eigen kracht. Er zijn een paar dingen die hij heel goed kan: service-volley. Die moet hij benutten. En hij moet zich zo weinig mogelijk aanpassen aan zijn tegenstander, tenzij die vaak dezelfde fout maakt. Dan kan je daar op spelen.” Siemerink: “Soms moet je je tactiek aanpassen. Dat is ook de reden waarom je zoveel op techniek traint: om in staat te zijn een bepaalde tactiek uit te voeren.”

Het herstel op de ranglijst in 1995 - Siemerink klom van een klassering buiten de top-honderd naar een 23ste plaats - is voor een deel te danken aan een toegenomen efficiëntie in zijn spel. De coach: “Jan kiest voor de zakelijke oplossing. Je moet immers nooit onnodig moeilijke ballen slaan, maar de bal eenvoudig wegleggen als je daarmee het punt kan maken.” Die zakelijkheid wil niet zeggen dat Siemerink frivole en risicovolle balletjes als de stopvolley van zijn repertoire heeft geschrapt. “Voor de meeste tennissers is een stopvolley een onverstandige keus”, legt Bogtstra uit. “Voor Jan, die daar gevoel voor heeft, kan zo'n stopvolley juist de meest kansrijke oplossing zijn.”

Siemerinks jeugdtrainer die bij het gesprek aanwezig is, vertelt over twee verschillende opvattingen over trainen. Siemerink werd in zijn jeugd vrij gelaten om het spel te spelen dat hij wilde. Flitsend, aanvallend, soms prachtig, soms haperend. De andere school van lesgeven wordt bijvoorbeeld voorgestaan door de bekende Amerikaanse coach Nick Bollettieri. Op zijn tennisacademie werkt iedere leerling een gelijksoortig programma af. En Andre Agassi en Monica Seles spelen in principe hetzelfde spelletje. “Bij Bollettieri leren ze van de baseline beuken, rossen”, zegt Bogtstra. “Dat is ook het makkelijkst: tegen je pupil zeggen hoe hij moet spelen. Moeilijker is te kijken hoe iemand speelt en daar het beste van proberen te maken. Toch bekijk ik het liever per persoon. Ieder mens, ieder karakter is anders. Van Wilander en Vilas, die de bal tweehonderd keer heen en weer kunnen slaan, moest je niet proberen een creatieve tennisser te maken. En Jan moet je op een training juist niet tweehonderd keer de bal in hetzelfde hoekje van de baan laten slaan.”

Siemerink rekt de lunch zo lang mogelijk. De ochtend was goed besteed, maar de middagsessie lonkte niet. “Er komen altijd perioden, van een of twee dagen, dat ik geen zin heb”, vertelt hij. “Dan train ik ook minder. Het heeft geen zin om dan toch vier uur op de baan te gaan staan. Deze zomer raakte ik bijvoorbeeld geen bal op gras. Toen ben ik twee avonden op kunstgras gaan trainen. Het ging meteen weer heerlijk, ik kreeg plezier, was klaar voor Wimbledon en won er voor het eerst drie wedstrijden. Toen had ik minder op gras gespeeld, maar ging het wel beter dan ooit tevoren.”

    • Remmelt Otten