Nostalgie

DAVID GELERNTER: 1939: The Lost World of the Fair

418 blz., geïll., The Free Press 1995, ƒ 45,30

In de nasleep van de Krach en aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog organiseerde New York de World's Fair van 1939. Zowel door de timing als door zijn opmerkelijke architectuur heeft dit evenement zich in de nationale herinnering genesteld, ook van mensen die het niet zelf hebben meegemaakt. Een van hen is David Gelernter, hoogleraar computerwetenschap aan Yale University, die aan de gestage stroom publikaties over dit onderwerp heeft toegevoegd 1939: The Lost World of the Fair. De titel geeft het tweeslachtige gevoel weer dat er omheen hangt: enerzijds heerste er een bijna onvoorwaardelijk geloof in de toekomst en in de vooruitgang, anderzijds angst voor de verschrikkingen die dreigden.

Uit het voorwoord valt op te maken dat de auteur een lange periode van herstel na een ziekte - hij dankt onder anderen zijn chirurgen - heeft gebruikt om eindelijk een boek over zijn liefhebberij te schrijven. Hij weet heel veel van de Fair van '39 en kan er goed over vertellen, maar hij heeft een vorm gekozen die hem boven het hoofd is gegroeid. Om niet alleen de feiten, maar vooral de sfeer van deze bijzondere gebeurtenis over te brengen heeft hij een ooggetuige in het leven geroepen, de bejaarde Newyorkse Hattie Levine, wier herinneringen aan de Fair en aan haar eerste liefde met elkaar zijn vervlochten. Soms werkt dat goed, bijvoorbeeld over General Motors' paviljoen 'Futurama', wanneer hij over de opzet en de techniek vertelt en zij, als fictieve bezoeker, over de belevenis. Twee aan twee zweefden de bezoekers in stoelen over een reusachtige maquette van het Amerika van 1960, een utopisch landschap met veertienbaans snelwegen, appelbomen onder glazen stolpen en steden waar de trottoirs enkele meters boven de rijweg liggen. (In het eerste seizoen waren er geen kerken in het Futurama, maar na protesten werden er in het tweede seizoen, van mei tot oktober 1940, liefst een paar honderd toegevoegd). Maar mevrouw Levine's liefdesgeschiedenis wordt steeds ingewikkelder en steeds minder relevant, waardoor de hele constructie moeizaam en ergerlijk wordt.

Gelernter is op zijn best als hij zonder opsmuk over de Fair vertelt: het politieke gekrakeel rond de organisatie, de aanleg, de lichtshow boven de fonteinen met duizend stralen die dansten op een choreografie van de kunstenaar Alexander Calder. Met smaak verhaalt hij van de technologische noviteiten in de bedrijfspaviljoens, zoals de faxmachine van RCA die over een velletje achttien minuten deed, de 'snelweg van de toekomst' bij Ford en het kolossale stalen beeld voor het Sovjet-paviljoen van een arbeider die een rode ster omhoog houdt - met een verwijzing naar Stalin bijgenaamd 'Big Joe'.

In het Amusementsgebied konden bezoekers zich in de door Salvador Dali ontworpen 'Dream of Venus' verlustigen aan meisjes die topless in vier watertanks zwommen, of bij de 'Aquacade' kijken naar eveneens schaars geklede aquabelles en aquabeaux, zoals Tarzan-vertolker Johnny Weissmuller. De gezichtbepalende gebouwen waren de Trylon-obelisk en de Perisphere-bol, beide spierwit en een sprekend symbool van de Fair.

Wat Gelernter, met wisselend succes, wil beschrijven, is het verschil in geestesgesteldheid tussen toen en nu. Ondanks de steeds onvermijdelijker wordende oorlog koesterde de Amerikaanse samenleving destijds een onverwoestbare zekerheid dat de toekomst goed zou zijn. De technologie had al ijskasten, tv's, wolkenkrabbers en nylonkousen gebracht, straks zouden er faxen zijn en vredige groene buitenwijken. Er lag een utopie in het verschiet en alles zou beter worden - wat na de oorlog inderdaad ook gebeurde. Maar nu, schrijft Gelernter, leven wij midden in die utopie - en zijn teleurgesteld. “Bijna niets is zo ontmoedigend als precies dat te krijgen wat je altijd hebt willen hebben.” De nostalgie van mensen als Gelernter naar de World's Fair van 1939 is dan ook vooral een verlangen naar Amerika als land van onbegrensde mogelijkheden.