Nieuwe president Guatemala wacht strijd voor democratie

Heeft de democratie in Guatemala het pleit gewonnen? Morgen wordt Álvaro Arzú van de conservatieve Partij voor Nationale Vooruitgang (PAN) beëdigd als de nieuwe president van het land. Arzú versloeg bij de presidentsverkiezingen van afgelopen zondag, zij het met slechts met 51 procent van de stemmen, zijn concurrent Alfonso Portillo van het reactionaire Republikeinse Front van Guatemala (FRG).

Het verlies van Portillo, die door critici omschreven werd als de marionet van de voormalige dictator Ríos Montt, kan gezien worden als winst voor de slechts tien jaar oude democratie van Guatemala. Net als Portillo heeft Arzú de kiezers gedurende zijn campagne beloofd een definitief einde te maken aan de al drie decennia durende burgeroorlog, de economie te moderniseren en de hoge criminaliteit te bestrijden. Maar hij deed dit met meer overtuigingskracht. Tegelijkertijd zal Arzú moeten proberen de grote macht van de militairen terug te dringen en de democratie te consolideren. Zijn startpositie voor deze operatie is niet sterk.

Slechts 37 procent van de Guatemalteken die de moeite hadden genomen om zich als kiezer te laten registreren (driekwart van de stemgerechtigden), heeft afgelopen zondag zijn stem uitgebracht. Arzú heeft zijn nipte overwinning (hij kreeg dertig duizend stemmen meer dan zijn opponent) te danken aan de populariteit die hij geniet in de hoofdstad, Guatemala-Stad, waarvan hij van 1985 tot 1990 burgemeester was. Vooral onder de 'nieuwe' zakenmensen in de hoofdstad, die geen nauwe banden onderhouden met de oude elite van grootgrondbezitters, heeft Arzú (zelf een zeer succesvol zakenman) aanhangers.

De traditionele elite en het leger hebben grote moeite met Arzú. Zo hebben zij de afgelopen jaren te kennen gegeven geen voorstander te zijn van het door hem gesteunde vredesproces. Dat is in 1990 begonnen na ruim dertig jaar burgeroorlog waarbij naar schatting 120.000 doden zijn gevallen. Een belangengroepering van grootgrondbezitters maakte enkele maanden geleden tevergeefs een zaak aanhangig bij de Guatemalteekse Hoge Raad om verder vredesoverleg tussen de regering en de coalitie van rebellenbewegingen te verbieden.

De bezwaren van het leger tegen het vredesproces richten zich tegen de Commissie van Waarheid die, naar het model van El Salvador, schendingen van de mensenrechten tijden de militaire dictatuur moet onderzoeken. Zo worden de achttien maanden die 'de herboren christen' Montt aan het begin van de jaren tachtig aan de macht was, door mensenrechtenorganisaties de meest bloedige periode van dat decennium in Guatemala genoemd.

Ook de terugdringing van de rol van het leger die Arzú voorstaat, stuit op weerstand bij de oude elite. Vertegenwoordigers van de rooms-katholieke kerk wijzen erop dat reactionaire militairen er baat bij hebben de stabiliteit in het land te ondermijnen om daarmee vast te kunnen houden aan een prominente rol in de samenleving.

De morgen aftredende president Ramiro de León Carpio, een voormalig ombudsman voor de mensenrechten, heeft tijdens zijn ambtstermijn, ondanks de vredesbesprekingen, geen einde kunnen maken aan het politieke geweld. Bovendien is de criminaliteit onder zijn bewind sterk toegenomen. De afgelopen twee maanden vielen bij 'gewoon' en politiek geweld vijfhonderd doden. Slechts vijf procent van de misdaden wordt in Guatemala opgelost, waardoor veel Guatemalteken ervan overtuigd zijn dat er sprake is van rechteloosheid, wat een grote rol van het leger zou legitimeren.

Behalve tegen het vredesproces verzet de oude elite zich ook tegen de economische moderniseringen van Arzú. Om de armoede te kunnen bestrijden (het gemiddelde inkomen is met 1.200 dollar per jaar na Haïti het laagste op het westelijk halfrond; tien procent van de Guatemalteken krijgt de helft van het nationaal inkomen) en om de ontevredenheid onder met name de Indiaanse meerderheid weg te nemen, staan er sociaal-economische hervormingen op stapel. Vooral plannen over landhervormingen roepen veel weerstand op bij de grootgrondbezitters.

De vredesbesprekingen met de rebellen leidden in 1994 tot een aantal akkoorden. Deze betreffen het naleven van de mensenrechten (vooral die van de verschillende Indiaanse bevolkingsgroepen), de terugkeer van vluchtelingen en het instellen van de Commissie van Waarheid. Sinsdien is het vredesproces stil komen te liggen. Waarnemers verwachten dat onder de regering van Arzú binnenkort opnieuw gepraat zal worden. Daarbij zal het dan vooral gaan om maatregelen voor de sociaal-economische modernisering van het land.

De nieuw gekozen president heeft, met het oog op het verzet van de oude elites tegen zijn programma, overigens besloten de verantwoordelijkheid voor zijn persoonlijke veiligheid niet over te laten aan de nationale politie of het leger. Het kleine legertje Israelische lijfwachten dat tijdens zijn campagne voor de veiligheid van kandidaat Arzú moest zorgen, zal dat ook gaan doen voor president Arzú.

    • Aernout Zevenbergen