Meppen en trommelen in bizar balletwerk

Gezelschap: Nederlands Dans Theater 2. Nieuwe werken: Play Dead, Talk to me talk to me. Lieder eines fahrenden Gesellen. Gezien: 11 januari, AT&T Danstheater, Den Haag. Tournee t/m 3 februari, Informatie: 070-3609931.

Lyrisch en dynamisch is de karakterisering die het NDT2 zelf meegeeft aan zijn tweede programmacyclus waarin twee nieuwe werken zijn opgenomen en een herinstudering van Jirí Kyliáns mooie, in 1982 voor NDT 1 gemaakte Lieder eines fahrenden Gesellen. Een heel juiste betiteling, want lyrisch is Kyliáns werk in hoge mate en dynamiek is er ook volop in aanwezig. Bij het woord dynamisch echter zal ongetwijfeld vooral gedacht zijn aan de twee nieuwe balletten Play Dead van Gideon Obarzanek en Talk to me talk to me van Pieter de Ruiter.

De Australische choreograaf Obarzanek heeft zich in eerdere werken die hij voor het Nederlands Dans Theater maakte doen kennen als een dansschepper met een cartoonachtige humor en aanpak. Play Dead bewijst dit opnieuw. Een sombere stoet, voorafgegaan door een trommelaar, sleept een levenloze man mee. Sommige rouwenden zijn echter met heel andere gedachten als rouw bezig, zoals de man in de achterhoede die tevergeefs een vrouw tracht te versieren. Er wordt daar heel wat af gemept en zelfs de trommelaar gebruikt op een zeker moment allerlei lichaamsdelen van de dode als alternatief slaginstrument. Er vallen vele doden in dit werk: op een treiteraar wordt geschoten, de aangeschotene steekt zijn belager in de rug terwijl deze doende is de laatste woorden van zijn slachtoffer op te vangen en jaloerse vrouwen steken elkaar en de bevochten man overhoop. Het zijn allemaal korte scènes, soms heel direct een verhaal vertellend in een recht-toe-recht-aan mime-vorm, soms bestaande uit knap in elkaar gezette, pittige en inventieve dansfragmenten. Een bizar werk, levendig en goed uitgevoerd en van een fraai toneelbeeld voorzien: een vuurrood belicht vierkant achterdoek en een helder witte lijn, die hoog in de lucht dwars over het toneel loopt.

Pieter de Ruiters Talk to me talk to me heeft andere pretenties. Het wil een evenwaardige dialoog tussen dans, muziek en toneelbeeld laten zien. De choreograaf werkte daartoe samen met de componist Bo Spaenc (met wie hij in 1992 zijn stuk EisenNerz realiseerde) en met Cecile Bouchier die met een serie verschuifbare ijzeren garagedeuren de ruimte wat beeld betreft variabel maakte. Verder verschijnt de muzikale solist - saxofonist Leo van Oostrom - regelmatig op het toneel om zo ook en relatie tussen muzikant en danser(s) zichtbaar te maken. Dat klinkt allemaal mooi en zal zeker in het werkproces interessante onderlinge discussies hebben opgeleverd, maar het uiteindelijke resultaat is nauwelijks verrassend of van een uitzonderlijk gehalte. Het wordt zelfs vaak een beetje saai en voorspelbaar. De meerwaarde van samenwerking vanaf punt nul is in eerste instantie afhankelijk van groot talent.

Kylián gebruikte Mahlers compositie voor Lieder eines fahrenden Gesellen en is dus uitgegaan van een door een andere kunstenaar vastgestelde structuur en sfeer. Dat betekent echter niet dat Kylián een slaaf van Mahler werd, integendeel. De relatie tussen zijn autonome dans en de muziek is heel hecht en onontkoombaar. Dat zag ik niet bij De Ruiters choreografie. Die choreografie heeft wel een aantrekkelijke grilligheid en vitaliteit in beweging en werd door de voortreffelijke uitvoering ook optimaal zichtbaar gemaakt, maar er is veel minder variatie in sfeer en spanning dan in de muziek. Ik vind het heel onbevredigend als dansers zo maar op en af lopen en volkomen willekeurig meegaan in een door een ander ingezette bewegingsfrase, en in het geschuif met de garagedeuren kon ik geen enkele wezenlijke verbinding met de muziek en de dans ontdekken. Ach, misschien was dat ook helemaal de bedoeling niet en ging het alleen maar om de zelfstandige expressie van de drie kunstvormen. Hoe dan ook, voor mij heeft het niet gewerkt.

    • Ine Rietstap