Joodse emancipatie in de Lage Landen

JOZEPH MICHMAN: The history of Dutch Jewry during the emancipation period 1787-1815

238 blz., geïll., Amsterdam University Press 1995, ƒ 65,-

Op 2 september 1796, bijna tweehonderd jaar geleden, stelde de Nationale Vergadering in Den Haag per decreet vast dat de in ons land gevestigde joden krachtens de het jaar tevoren afgekondigde 'Rechten van de Mens en Burger' dezelfde rechten hadden als hun christelijke landgenoten, en dus Nederlanders waren. De totstandkoming van dit emancipatie-decreet had nogal wat voeten in de aarde. Niet alleen christeelijke Nederlanders voerden allerlei bezwaren aan tegen het opheffen van de vreemdelingenstatus van de beide als 'Naties' aangeduide joodse bevolkingsgroepen (de Portugese en de Hoogduitse), maar ook de leiders van de joodse Naties in Amsterdam en Den Haag zagen weinig heil in de rechtsgelijkheid voor de door hen op autocratische wijze bestuurde geloofsgenoten/onderdanen. Parnassim (bestuurders van joodse gemeenten) van genoemde steden, drongen er in augustus 1796 bij een aantal afgevaardigden in de Nationale Vergadering zelfs op aan tegen het emancipatie-decreet te stemmen.

Dat uiteindelijk een comfortabele meerderheid voor de emancipatie stemde, is grotendeels te danken aan de niet aflatende propaganda van de kleine joodse Patriottenclub Felix Libertate, opgericht kort na de onder het welwillend oog van de Franse bezetters/bevrijders tot stand gekomen Bataafse Republiek. Leden van Felix Libertate verschaften de voorstanders in de Nationale Vergadering van een hervorming van de Nederlandse staat naar Frans revolutionair model de argumenten die nodig waren om de meer conservatieve volksvertegenwoordigers te overtuigen van de noodzaak de joden gelijke rechten te geven.

De afgelopen twee decennia publiceerde de historicus Jozeph Michman in diverse Nederlandse wetenschappelijke tijdschriften grotendeels op bronnenstudie berustende artikelen, waarin diverse aspecten der emancipatie van de Nederlandse joden tussen het einde van de Patriottenopstand in 1787 en de vestiging van het Verenigd Koninkrijk onder Willem I in 1815 nader worden belicht. Deze artikelen vormen de kern van Michmans recent verschenen The history of Dutch Jewry during the emancipation period 1787-1815. Om zoveel mogelijk een lopend verhaal te produceren, voegde de auteur aan het boeken aantal nieuwe hoofdstukken toe en verwijderde hij overlappingen.

Nestor

Michman is momenteel de nestor onder de historici die in de laatste kwart eeuw de bestudering van de geschiedenis van de Nederlandse joden in binnen- en buitenland in een stroomversnelling brachten. Na de publikatie van zijn proefschrift in 1951 over de in het Hebreeuws dichtende achttiende-eeuwse Amsterdammer David Franco Mendes, bekleedde Michman successievelijk in Amsterdam en Israel functies die hem weinig tijd lieten voor wetenschappelijk onderzoek. Vanaf de jaren zeventig leverde hij echter belangrijke bijdragen aan de studie van de Nederlands-joodse geschiedenis via eigen onderzoek, door leiding te geven aan het Institute for research on Dutch Jewry te Jeruzalem en door mee te werken aan de om de twee jaar afwisselend in Amsterdam en Jeruzalem mede door de Commissie voor de Geschiedenis en Cultuur van de Joden in Nederland georganiseerde symposia.De publikatie van Dutch Jewry during the emancipation period viel niet toevallig ongeveer samen met het recente symposium in Amsterdam gewijd aan de emancipatie van de joden in Nederland. Naast al eerder door Menachem Bolle en mijzelf bestudeerde bronnen betreffende de emancipatie en haar gevolgen, maakt de auteur gebruik van talloze nog niet eerder in dit verband ter sprake gebrachte teksten, die nieuw licht werpen op de situatie waarin de joden van Nederland rond 1800 kwamen te verkeren.

Michmans ontdekkingen zijn overigens niet alleen belangwekkend als onderdeel van de joodse geschiedenis, maar vormen bovendien een interessante aanvulling van Simon Schama's Patriots and liberators: de monumentale rehabilitatie van Nederlands zo lang onderbelichte Franse tijd. Het is wel jammer dat ondanks de pogingen van de auteur om een lopend en consistent verhaal te maken uit zijn artiekelen, het door hem gecreëerde beeld - zeker voor oningewijden - toch enigszins verbrokkeld blijft. Wel opent Michman soms nieuwe perspectieven, hoewel hij ook wel eens de plank redelijk mis slaat. Gelukkig verleidde zijn zionistische overtuiging hem er niet toe, zoals in 1960 Menachem Bolle deed in zijn proefschrift De opheffing van de autonomie der kehillot (joodse gemeenten) in Nederland, de juridische gelijkstelling in 1796 van de Nederlandse joden met hun christen-landgenoten overwegend negatief te beoordelen.

Conservatisme

Michman toont terecht waardering voor de pogingen van de mannen van Felix Libertate om via politieke gelijkstelling de talloze barrières te slechten, die in het bijzonder het zo talrijke Amsterdamse joodse hongerproletariaat verhinderden een menswaardige plaats in de Nederlandse samenleving te verkrijgen. Het conservatisme van de zich tegen die gelijkstelling verzettende Parnassim verklaart hij, maar verdedigt hij niet. Juist is Michmans constatering dat er in de Franse tijd in de praktijk nog weinig van die rechtsgelijkheid terecht kwam. Hij hecht dan ook geen overdreven waarde aan het feit dat in 1797 Herman Bromet en Hartog de Lemon als eerste joodse volksvertegenwoordigers in Europa zitting namen in de Nationale Vergadering.

Het verzet tegen feitelijke rechtsgelijkheid - niet alleen in de Franse tijd, maar zelfs nog in de periode voorafgaande aan de Tweede Wereldoorlog - schrijft hij echter te eenzijdig toe aan in christelijk Nederland levende manifeste dan wel sluimerende antisemitische gevoelens. Met een reuzesprong van Franse tijd naar het interbellum overschakelend constateert Michman dat zelfs nog in dat laatste tijdvak geen jood commissaris van de koningin of burgemeester kon worden. Het is waar: rudimenten van christelijk standsvooroordeel en politiek conservatisme speelden een rol in het benoemingsbeleid van de Kroon. Maar daar staat tegenover dat in dezelfde periode in Amsterdam vier van de zes wethouders van joodsen huize waren en de joodse mr. Lodewijk Visser tot voorzitter van de Hoge Raad werd benoemd.

Bijzonder interessant is de ontdekking van de schrijver dat Lodewijk Napoleon persoonlijk het nodige ondernam om het verzet van lokale magistraten tegen feitelijke gelijkstelling van joden te breken. En terwijl diens ingrijpen in joods aangelegenheden juist de emancipatie van de Nederlandse joden ten goede kwam, hadden de bemoeienissen van de apert antisemitische keizer Napoleon met de joodse kerkgenootschappen in Frankrijk juist een omgekeerd effect.

Neye Kille

Dat Michman het verzet tegen rechtsgelijkheid voor joden voor en na het emancipatie-decreet te zeer aan antisemitisme toeschrijft, spruit voort uit de omstandigheid dat hij nogal eens de historische context uit het oog verliest. Zo valt hem niet op dat de Amsterdamse afgevaardigde Bicker in de Nationale Vergadering in wezen de joden welgezind was, maar als typische regent zo veel mogelijk de staatkundige situatie van voor de Bataafse 'revolutie' wenste te handhaven en dus ook handhaving van een door de stedelijke magistratuur ondersteunde macht der Parnassim over hun joodse onderdanen wenselijk achtte.

In zijn op zichzelf kostelijke analyse van de 'Diskursen fun di Neye Kille' en hun tegenhanger de 'Diskursen fun di Alte Kille' maakt Michman een opmerkelijke vergissing, die alleen te verklaren valt uit het feit dat hij de gebeurtenissen ook hier uit hun historisch verband tilt. De 'Neye Kille' is de nieuwe gemeente van joodse patriotten, die zich onder de naam 'Adath Jessurun' in 1797 van de oude gemeente afscheidden. In de wekelijks verschijnende in Amsterdams-Jiddisj gestelde Diskursen scholden de tegenstrevers van beide gemeentes elkaar op onbekommerd onorthodoxe wijze de huid vol. Volgens Michman traden op 26 maart 1795 21 leden van Felix Libertate uit het verband van wat toen nog de Hoogduits Joodse Natie heette, uit woede over het feit dat de Parnassim een totaal verminkte Jiddische versie van de Verklaring van de Rechten van de Mens hadden gepubliceerd. Daarin was het artikel van de godsdienstvrijheid van het commentaar voorzien dat “ieder die de naam Israëliet draagt, absoluut verplicht is, zich aan de Joodse wetten te houden, daar hij zich niet meer kan bedienen van de voormalige infame verdediging, dat als men hem als Jood herkende, men geen respect meer voor hem heeft, want nu kan, dank zij de Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, ieder uit volle borst zeggen: ik ben een Jood en, dat zal hem tot eer gerekend worden en men zal hem niet meer durven molesteren”.

Woedend waren de mensen van Felix Libertate inderdaad, maar eerst op 26 maart 1797 zegden 21 hunner het lidmaatschap op van wat nu in een feite een particulier kerkgenootschap van Asjkenazische joden was geworden. En veelbetekenend: zij verbraken de band met hun oude gemeente (en stichtten meteen een nieuwe gemeente), omdat de Parnassim weigerden de reglementen aan te passen aan de nieuwe door het emancipatie-decreet ontstane situatie. De afscheiding had niet, zoals Michman stelt, twee jaar te voren plaats kunnen hebben, om de eenvoudige reden dat toen het emancipatie-decreet nog niet was afgekondigd en de reglementen van de Hoogduits Joodsche Natie, volgens welke afscheiding strafbaar was, ook voor de stedelijke magistraat nog kracht van wet hadden.

    • Salvador Bloemgarten