Jazz op fluit is bij Lotz niet 'soft', maar stevig

Concert: Lotz of Music. Gehoord: 12/1 Bimhuis (Amsterdam). Herhaling: 13/1 SJU-jazzpodium (Utrecht), 14/1 Studio CNM (Hilversum), 11/2 Cafe Brouwershoek (Leeuwarden), 17/2 Jazzsociëteit (Dordrecht).

Zeldzaam zijn de jazzmusici die zich toeleggen op dwarsfluit. Veel fluitisten spelen in eerste instantie saxofoon. De reden hiervoor is niet ver te zoeken: het instrument wordt te 'soft' bevonden, in verschillende betekenissen van dat woord. Elektrische versterking helpt nauwelijks, zeker niet voor de lage registers. Bovendien is op fluit het articuleren lastig door de manier van aanblazen, waarbij veel lucht gaat verloren. In funkkringen is fluit overigens wel weer meer en vogue, misschien omdat men de klank 'relaxed' vindt.

Bandleider Mark Alban Lotz die gisteravond met zijn groep in het Bimhuis stond, is in Nederland een van die zeldzame jazzfluitisten. In 1994 maakte hij met Lotz of music zijn eerste cd Puasong Daffriek, een originele mengeling van goed overdachte, eigen composities die hun wortels behalve in jazz ook in wereldmuziek lijken te hebben.

De nieuwe stukken waarmee Lotz optreedt zijn deels afkomstig van drummer Stefan Kruger, een van de stuwende krachten achter de jazzfunkgroep SFeQ. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de in die groep beoefende ritmes, vaak in afwijkende maatsoorten, bij Lotz ook dominanter worden. Dat is een welkome vernieuwing. Vooral het stuk Duke's trip en de drumsolo met begeleiding van de band erna, zijn stevig maar subtiel. Bovendien was de uitvoering van die stukken gaaf.

Dat kon van het overige aanbod niet steeds worden gezegd. Lotz heeft een voorkeur voor unisono gespeelde thema's die op onverwachte momenten invallen, maar als die niet vlekkeloos worden neergezet, klinken ze minder overtuigend. Ook de soli, die in de meeste gevallen voor rekening van Lotz en Ornstein komen, zijn wat onzorgvuldig in opbouw. Bassist Marius Beets houdt dat aspect beter in het oog. In de tweede set voltooit hij een prachtige, eerst melodische en daarna ritmische solo op zijn contrabas.

Lotz heeft inmiddels wel laten horen en zien dat hij naast compositorische vindingrijkheid over een hele reeks fluittechnieken beschikt. Technieken die de eerdergenoemde kwalificatie 'soft' in elk geval in een klap ongeldig maken. Op basfluit brengt hij oertonen voort, op C-fluit produceert hij langgerekte trillers, dubbeltonen en simultaan gezang en gezoem. De kunst is natuurlijk om deze technieken functioneel en in de juiste dosering toe te passen. Als dat hem lukt, zoals in het stuk Het Ei, een Japans getinte, minimale compositie, is het resultaat zonder meer geslaagd.

    • Viktor Frölke