Het nut van academische nederlagen

Bevordering van de 'studeerbaarheid' van het wetenschappelijk onderwijs en de invoering van 'vouchers' hebben beide tot doel het onderwijs aan te passen aan de eisen van de tijd.

Maar ze kunnen ook ten koste gaan van de academische vorming, betoogt oud-staatssecretaris Job Cohen.

Toen ik een jaar geleden het rectoraat opnieuw aanvaardde, verkeerde de landelijke hoger onderwijs-politiek in een impasse. Het was onduidelijk hoe de forse bezuinigingen tot stand zouden komen, het leek erop dat wij een grootscheepse stelselherziening tegemoet moesten zien en wij zagen universitaire bestuurders lijnrecht staan tegenover studenten.

Wat er in een jaar niet allemaal kan veranderen. Wij krijgen geen omvangrijke stelselherziening, maar wel een nieuwe bestuursstructuur; cursusduur en studieduur worden met financiële middelen zoveel mogelijk aan elkaar gelijk gemaakt; er wordt, mede in verband met de bezuinigingsdoelstellingen van het kabinet, rekening gehouden met aanzienlijk kleinere universiteiten, terwijl er gelijkertijd meer aandacht gevraagd wordt voor levenslang leren; het ministerie maakt zich op om door middel van een kennisdebat de samenleving rijp te maken voor meer investeringen in onderwijs en wetenschappen; en last but not least, wij lijken te staan voor een grootscheepse actie om het hoger onderwijs 'studeerbaar' te maken.

Twee met elkaar samenhangende punten wil ik van enig commentaar voorzien. Het eerste betreft de actie 'studeerbaarheid', waarvoor het enorme bedrag van 500 miljoen gulden is uitgetrokken, netjes naar rato van studentenaantal verdeeld over alle instellingen van hoger onderwijs. Laat ik voorop stellen dat ik de extra aandacht voor de kwaliteit van het hoger onderwijs terecht vind, want wij kampen nog steeds met de overgang van de 'kleine' universiteiten van enkele decennia geleden naar de massale onderwijsinstellingen van nu: aandacht voor een aan die massaliteit aangepaste onderwijsorganisatie, voor daarbij behorende onderwijsvormen en -methoden en voor grootschalig gebruik van nieuwe technologie, kan en moet de kwaliteit verhogen.

Maar er dreigen een paar gevaren. Wij moeten niet denken dat meer aandacht voor de kwaliteit van het onderwijs en grotere efficiëntie tot aanzienlijk hogere rendementen zullen leiden. Selectie in de beginfase van de studie blijft immers geboden: als wij studenten niet aan de poort, maar pas tijdens of aan het einde van het eerste jaar op geschiktheid voor de gekozen studie beoordelen - en ik ben van dat laatste een uitgesproken voorstander - dan betekent dat per definitie dat sommigen gedurende of aan het einde van dat eerste jaar zullen afvallen. Voor die afvallende studenten heeft dat in toenemende mate consequenties, omdat zij slechts over vier jaar studiefinanciering zullen beschikken. Dat zet dat selectieproces onder meer druk, maar maakt het natuurlijk niet onnodig of overbodig.

Gegeven de belangen die er voor studenten op het spel staan, is het uitstekend dat universiteiten van hun kant proberen er alles aan te doen om 'studeerbare' programma's te maken. Maar het allerbelangrijkste zijn en blijven de studenten zelf; zij zullen met hun talent èn met veel inzet resultaten moeten boeken. In zekere zin is er sprake van communicerende vaten tussen 'onderwijs' en 'leren': naarmate het onderwijs slechter is, zal de student dat moeten compenseren door zelf meer inspanningen te verrichten. En dus geldt ook omgekeerd, dat de resultaten niet verbeteren wanneer studenten de betere kwaliteit van het onderwijs 'compenseren' door minder hard te werken. En waar 'kwaliteit van onderwijs' een rekbaar begrip is, valt niet uit te sluiten dat tegenvallende resultaten toegeschreven zullen worden aan nog steeds onvoldoende studeerbare programma's, zoals het ook nu wel voorkomt dat tegenvallende resultaten worden toegeschreven aan lapzwanzende studenten in plaats van aan de krakkemikkigheid van het onderwijs.

Er is een tweede gevaar, dat met het begrip 'studeerbaarheid' kan binnensluipen. Studeren, kennis verwerven, verschijnselen leren begrijpen, verklaren en in een rationele context kunnen plaatsen is een moeilijk en moeizaam proces. Het is vallen en opstaan. Iedereen die wel eens een verhaal, een rapport, een opstel of een scriptie heeft geschreven, weet hoe moeilijk het is om de zaak netjes op papier te krijgen; hoeveel inspanning het kost om de lezer de indruk te geven dat dat allemaal vanzelf is gegaan. Het is proberen, schrappen, nog eens proberen, de hele zaak verscheuren, nog eens een nieuwe opzet maken, om tenslotte tot de conclusie te komen dat je a) veel tijd verprutst hebt en b) het resultaat niet zo mooi is als je gedacht en gehoopt had. En wat ik hier beschrijf, geldt niet alleen voor het schrijven van stukken, het geldt ook voor de andere aspecten van studie, voor het begrijpen van redeneringen, voor het afwegen van alternatieven, voor het bedenken van oplossingen. Studeren is - kortom - niet alleen maar de fascinatie van inwijding in nieuwe onbekende werelden, studeren is ook, zoals mijn collega Leerhouwer dat wel eens treffend heeft uitgedrukt: nederlagen lijden, tegenslagen incasseren.

En daar zit het tweede gevaar: nederlagen lijden past niet goed in het concept van studeerbaarheid. Door middel van studeerbare programma's proberen wij de studie zo toegankelijk mogelijk te maken; wij proberen het lijden van nederlagen zoveel mogelijk te vermijden. Maar helemaal kunnen we dat niet en moeten we dat ook niet willen, want het lijden van nederlagen is juist essentieel voor de academische vorming: iets niet begrijpen, iets niet onmiddellijk onder woorden kunnen brengen, is de basis voor begrip. Ervaring opdoen met wat je nog niet begrijpt, leren omgaan met tegenslagen, het is van minstens even groot belang als het verwerven van kennis en inzicht; het maakt onderdeel uit van het concept dat wij aan onze universiteit zo goed kennen: leren te leren. Per aspera ad astra, alleen de moeilijke weg leidt tot succes. Het concept van nederlagen lijden en tegenslagen incasseren is ook enigszins strijdig met de gedachte dat een studie een precies afgebakend aantal uren (dagen, maanden, jaren) moet duren. Tegenslagen komen op onverwachte momenten, zij zijn niet planbaar, zij gooien plannen in de war. En naarmate de studie preciezer gepland is, cursusduur en studieduur dichter op elkaar zitten, kortom, naarmate de ruimte om rekening te houden met tegenslagen en om tegenslagen op te vangen, geringer wordt, dreigt de spanning op te lopen en daarmee de spanning tussen studeerbaarheid en een essentieel kenmerk van academische studie.

Ik kom bij een tweede aspect waar ik graag enige kanttekeningen bij wil plaatsen. Het afgelopen jaar is de discussie over een voucher-systeem opnieuw opgedoken en de nogal ruime belangstelling ervoor lijkt samen te hangen met de gedachte dat mensen in de toekomst werken en studeren meer met elkaar zullen moeten combineren dan nu het geval is.

Vanuit dat perspectief lijkt het ook in de rede te liggen om burgers van vouchers te voorzien, dat wil zeggen van een soort door de overheid geleverd waardepapier voor studie, in te wisselen op die momenten die passen in het individuele levenspatroon met de zojuist geschetste afwisseling van werk en studie.

Op het eerste gezicht lijkt zo'n systeem van vouchers uiterst aantrekkelijk. Het geeft niet alleen aan individuen de grootst mogelijke kans om zich op flexibele wijze te wijden aan de studie van zijn of haar keuze, het dwingt instellingen van hoger onderwijs bovendien om zo hoog mogelijke kwaliteit te leveren. Studenten kunnen immers met behulp van hun vouchers kiezen voor programma's en programma-onderdelen die het best voldoen aan hun wensen en de instelling die daaraan niet goed voldoet, verliest marktaandeel en dat is - zoals wij weten - in het huidige tijdsgewricht het ergste dat je kan overkomen.

Maar bij nader inzien kleven er flinke bezwaren aan. Het eerste bezwaar valt kort en bondig samen te vatten in de stelling dat een voucher enerzijds te veel, maar anderzijds te weinig geeft. De voucher biedt te veel voor diegene die eigenlijk geen enkele behoefte heeft aan een hogere opleiding, of daar de kwaliteiten voor mist. Toch wordt er aldus overheidsgeld gereserveerd voor diegenen die daar nooit gebruik van zullen maken. Tegelijkertijd biedt de voucher te weinig voor diegene nu juist behoefte heeft aan een wat ruimere opleiding dan past bij de mogelijkheden van de voucher. Stel nu eens dat een voucher financiële ruimte biedt voor het volgen van hoger onderwijs gedurende drie of vier jaar - gegeven het feit dat de voucher in beginsel voor iedereen gereserveerd moet worden die een vwo- of havo-opleiding voltooid heeft, ligt naar ik vrees drie jaar meer in de rede dan vier jaar - dan is dat te weinig voor diegenen die een medische studie volgen of een technische, om enkele in het oog lopende studies te noemen, die langer duren. In de tweede plaats lijkt een stelsel met vouchers mij een administratieve inspanning te kosten, waarvan het de vraag is of het waard is die te leveren. Zo staat op voorhand niet vast wie wanneer een of meer vouchers gaat gebruiken en wordt de voorspelbaarheid van onderwijsdeelname aanzienlijk verminderd. Dat kan tot allerlei uiterst lastige personele problemen binnen instellingen leiden en wat dat betekent, hebben wij de afgelopen jaren met de wachtgeldproblematiek ervaren. Ook wanneer die problematiek over enkele jaren minder ernstig wordt dan zij nu is, blijft het hinderlijk wanneer het personeelsbestand aan universiteiten ernstig fluctueert. Tenminste, wanneer het op deze gronden fluctueert: het kan immers leiden tot op zichzelf ongewenste afbraak van expertise vanwege een misschien alleen maar op een bepaald moment aanwezig gebrek aan vraag naar die expertise - zie het huidige probleem van de geesteswetenschappen. In die zin versterken vouchers de financiering van het hoger onderwijs via de vraag in plaats van deze een beetje te remmen, zoals in het HOOP terecht wordt voorgesteld.

Tenslotte is er nog een derde argument dat mij argwanend maakt ten opzichte van vouchers. Zoals ik zei, het concept hangt samen met dat van het alternerende studeren en werken. Hoewel ik een toekomst van levenslang studeren wel degelijk voor mij zie, betekent dat naar mijn overtuiging niet dat dit alternerende studeren en werken in de plaats komt van de studie zoals wij die nu kennen. Levenslang studeren is geen alternatief voor de huidige studie, maar volgt daarop. Laat ik dat standpunt iets uitwerken.

Kenmerkend voor de huidige studie is dat die studenten inleidt in een bepaald vakgebied of in een discipline. Studenten raken vertrouwd met de kern ervan en zij leren zich er een beetje in thuis voelen. Kennis, inzicht, vaardigheden en niet te vergeten: leren zelfstandig verder te leren. Dat is wat de studie biedt en bovendien meestal in een zeer bijzondere periode van je leven. De periode tussen je achttiende en je vijfentwintigste, waarin je haast alles wat je leest en in je opneemt ook echt onthoudt. Later wordt dat anders, zoals tot hun spijt velen ervaren. Ik ben ervan overtuigd dat je die periode niet straffeloos kunt omzetten in een veel langer gerekt studietraject, waarin studie en werken worden afgewisseld. Wij moeten niet alleen zuinig zijn op deze bijzondere periode van het leven, wij moeten bovendien studenten een beetje stimuleren om die inwijding in een vakgebied in een redelijk compact geheel te laten plaatsvinden.

Vouchers stimuleren precies het omgekeerde. Van vouchers gaat de suggestie uit dat het verstandig is om de initiële tijd aan universiteit of hogeschool te spreiden over een veel langere periode.

Ik heb het gehad over studeerbaarheid en over vouchers en de vraag naar hun samenhang rijst. Die samenhang is dat ik in beide gevallen gevaren zie ten aanzien van wat wij nu omschrijven als academische vorming; de vorming die je in staat stelt om in de rest van je leven onafhankelijk en kritisch met je vak om te gaan. Ik hoop duidelijk gemaakt te hebben dat ik geen tegenstander ben van datgene wat met belangrijke elementen van het begrip studeerbaarheid bedoeld wordt, zomin als ik het belang van levenslang leren onderschat.