Hans van Mierlo mikt op de verpaarsing van de politiek; Passie duurt niet lang, hoor

Nu de macht van het CDA is doorbroken, voelt Hans van Mierlo zich verantwoordelijker dan ooit. Als een van de architekten van een nog broos kabinet, is hij extra gevoelig voor de strubbelingen die het paarse bouwsel van VVD, PvdA en D66 kunnen omver werpen. “Als je moeilijkheden hebt met de lijn, is het nog niet nodig om te zeggen dat de ander een olifant is”

De minister ontvangt in alle vroegte thuis, in vol ornaat. Dat wil zeggen in jacquet. Hij wordt later die ochtend verwacht bij de traditionele nieuwjaarsreceptie van de koningin voor het Corps Diplomatique in het paleis op de Dam. Bij het Amsterdamse publiek beter bekend als de jaarlijkse modeshow van alle in het land vertegenwoordigde staten. De bijeenkomst is voor Hans van Mierlo het signaal dat het hectische ministerschap van buitenlandse zaken weer gaat beginnen: het pendelen tussen hoofdsteden en conferentieplaatsen met tussendoor zo nu en dan verantwoording afleggen in de Tweede Kamer. “Het is heel raar”, mompelt hij. “Het razende tempo heeft het vak veranderd”.

Van Mierlo is onrustig. Het debat dat hem aan het eind van de middag te wachten staat met de voortijdig van reces teruggekeerde Tweede Kamercommissie voor buitenlandse zaken zit hem niet lekker. CDA, RPF en VVD hebben te kennen gegeven het niet eens te zijn met zijn voorgenomen bezoek aan het Palestijnse hoofdkwartier in Oost-Jeruzalem als hij volgende week met minister-president Kok in Israel is. Vooral de kritiek van de VVD steekt hem. “Ik vind dat men bij de VVD buitengewoon onachtzaam omspringt met een minister van de eigen coalitie”, zegt hij. “Men legt een zorgeloosheid aan de dag en gebruikt terminologieën die eigenlijk niet kunnen.” Het blijkt te gaan om het verwijt van VVD-kamerlid Weisglas dat Van Mierlo met zijn besluit om het Orient House te bezoeken 'als een olifant door de porseleinkast' gaat. Van Mierlo: “Dat zijn termen die niet nodig zijn. Als je moeilijkheden hebt met de lijn is het nog niet nodig om te zeggen dat de ander een olifant is. Als je dat wel doet ben je bezig met image-beschadiging.”

De telefoon onderbreekt hem: politiek overleg over het debat van die middag. Opnieuw een signaal dat de rustige periode voorbij is. Twee weken eerder, op 'derde kerstdag' tijdens het eerste gesprek bij hem thuis, had hij zich 'heerlijk' gevoeld. Eindelijk een tijdje aan 'de gracht' in Amsterdam. Tijd om na te denken over het eerste echte jaar van 'paars', zijn gedroomde kabinet. Tijd ook om na te denken over de toekomst van zijn partij, die zo onlosmakelijk verbonden blijft met zijn eigen persoon.

Zullen we maar met de verplichte vraag beginnen?

“Welke?”

Is Van Mierlo straks weer beschikbaar als lijsttrekker?

“Oh, die! De vraag naar de beschikbaarheid wordt beantwoord op het moment dat die aan de orde is. Tot aan dat moment ben ik beschikbaar. Dat is een mooie, he?”

Hoe vaak is de vraag al gesteld?

“Hij wordt altijd gesteld. Het lijkt het enige te zijn dat de journalisten echt interesseert. Maar ieder ander antwoord dan wat ik net heb gegeven is fout. De vraag wordt meestal aan het einde gesteld. Dat is prettig voor mij, want dan weet je dat het interview is afgelopen.”

De verslaggever mag niet het verwijt krijgen dat hij de vraag niet heeft gesteld.

“Dan zou ik als verslaggever zeggen: omdat er een buitengewoon oninteressant antwoord op kwam wordt noch vraag, noch antwoord vermeld.”

De afspraak was dat het gesprek over alles zou gaan: buitenland, binnenland, de partij. Van Mierlo is nu eenmaal de man met de vele petten: minister van buitenlandse zaken, vice-premier, partijleider van D66 en niet te vergeten: hoofdverantwoordelijke voor de totstandkoming van het 'paarse' kabinet. Het was zijn wens PvdA en VVD bij elkaar in één kabinet te brengen, om daarmee de vanzelfsprekendheid van de macht van het CDA te doorbreken. Het was zijn macht die deze wens werkelijkheid maakte. Het heeft D66 en dus Van Mierlo een bijzondere verantwoordelijkheid gegeven. Vandaar ook zijn gevoeligheid voor strubbelingen binnen het sociaal-liberale verbond. De samenwerking is broos. Opmerkingen die de sfeer kunnen verslechteren, bijvoorbeeld de kritiek van de VVD-er Weisglas aan zijn adres komen dan extra hard aan. Van Mierlo: “In het kabinet is het tot nu toe altijd goed gegaan. Maar zodra de gevechten van de coalitie in de Tweede Kamer zich verplaatsen naar het kabinet, dan is het verloren. Dan is het gebeurd. Er komt dan te veel een electorale monocultuur in de discussies binnen het kabinet en dat houdt een kabinet niet.”

Maar dat moment komt toch altijd dichterbij naarmate ook de verkiezingen dichterbij komen?

“Dat is nou maar net de vraag. Het kabinet kan ook door zijn samenhang zoveel gezag ontwikkelen dat de natuurlijke neiging van de drie coalitiepartijen om zich te profileren, vanzelf wegebt. Dat paars bewustzijn laten groeien is waar ik op mik.”

Maar daarmee worden de drie deelnemende partijen bij verkiezingen wel voor een groot probleem geplaatst.

“Dat ligt er aan. Natuurlijk is dat zo als er helemaal geen verschil meer zou zijn. Maar het gaat natuurlijk altijd om evenwichten. De vraag is altijd en alleen of de verschillen de overhand krijgen. Je hebt een sterk vermogen tot nuancering en tot helder denken nodig om aan de mensen een dubbele boodschap te brengen. Dat is én het verhaal dat het kabinet toch maar tot stand is gekomen en een sterke entiteit is én het verhaal dat we datzelfde kabinet voor de volgende periode in die richting willen beïnvloeden. Als je die dubbele boodschap kunt overbrengen, dan zouden alle drie de partijen fantastische verkiezingen kunnen krijgen. Maar daar heb je in de eerste plaats sterke persoonlijkheden voor nodig en in de tweede plaats vermogen tot echt genuanceerd denken.”

Dat is bijna het onmogelijke vragen...

“Luister, we hebben het natuurlijk over idealen. Het mensenwerk is: hoe kom je zo dicht mogelijk bij dat ideaal. En politiek is mensenwerk.”

Maar de Nederlandse coalitiepraktijk is dat spanningen tussen de samenwerkende partijen zich altijd naar het kabinet vertalen.

“Pas op! De coalitiepraktijk is een permanent gevecht geweest van David tegen Goliath. Het was het permanente gevecht van degene die altijd de baas was en ook altijd kon zeggen: daar is de deur. Dat is voorbij. We zijn voorgoed van de dwanggedachte af dat je voor regeren afhankelijk bent van het CDA. Niet dat je voorgoed van het CDA af bent, want ze zijn welkom aan tafel. Maar wel als een gewone partij en niet meer als de almachtige die beslist over links en rechts.

“We zijn groot gebracht met het gegeven van de kwalitatieve ongelijkwaardigheid van partijen. Daar hoort een cultuur van bitterheid en scherpte bij. Soms merk ik nog wel een atavistisch terugverlangen naar de tijd van het emancipatoire knarsetanden. Dat was voor je zelf bevredigender omdat het gevecht om de identiteit voor de partijen zelf helderder was. Je verloor het wel altijd van het CDA, maar het moment dat je er voor vocht was je bij elkaar: wij socialisten!, wij liberalen! Dat is nu veel moeilijker en vandaar dat ik nog wel eens een terugverlangen bespeur.”

Zoals Kok in zijn Den Uyl-lezing, toen hij het erover had dat de toekomstige strijd tussen sociaal-democraten en liberalen zal gaan.

“Hij verlangt daar niet echt naar terug. Kok had een goed verhaal, het is eigenlijk zijn eigen politieke credo, maar dan komt er opeens aan het eind het politieke duveltje, dat het zal gaan tussen sociaal-democraten en liberalen. Het is de rationalisering van wat hij wil: de strijd Kok-Bolkestein. Want wie een tweegevecht voert heeft de helft van de kansen. Dus zoekt hij ook een rechtvaardiging voor dat tweegevecht en moet dan de tegenstelling gaan opfokken. En dat terwijl hij in een kabinet zit dat laat zien dat socialisten en liberalen heel goed samen kunnen.”

Het is dus een kwestie van maatvoering?

“Heb je ooit een campagne om de maatvoering zien gaan?”

In een campagne gaat het om zoveel mogelijk stemmen.

“En dan worden het dus tegenstellingen die worden opgefokt.”

Waarbij D66 wordt vermalen...

“Ik denk niet dat Kok dat zou willen. Absoluut niet. Bolkestein zou daar volgens mij minder moeite mee hebben. Maar Kok ziet wel in dat het een volstrekt theoretische exercitie is om te zeggen dat socialisten en liberalen wel samen kunnen zonder D66. Als D66 er niet was geweest, zouden ze nooit met elkaar zijn gaan regeren.”

Bij de VVD zeggen ze dat D66 nu eens moet afstappen van die koppelaarsrol. Het is wat mager om daar je identiteit aan te ontlenen.

“Ik beroep me helemaal niet op de rol van koppelaar! Waar haalt men het vandaan te denken dat wij alleen maar een instrument voor anderen zijn.”

Maar D66 heeft de wagons toch bij elkaar gebracht?

“Dat we nuttig zijn mag ons toch niet worden verweten? Maar D66 heeft altijd gezegd dat het liberalisme en socialisme in elkaars verlengde liggen. Ik verwijt de VVD de onvolledigheid van het liberalisme en de PvdA de onvolledigheid van het socialisme. D66 zegt dat er een formule is waarin beide een wereldbeeld zouden kunnen maken.”

En toch gaat het straks bij verkiezingen tussen Kok en Bolkestein.

“Ja en op de een of andere manier staan wij daar dan ontzettend tussen te zieken. Misschien dat het Nederlandse volk dan op het laatste moment nog in een lachbui schiet.

“We zijn allemaal conservatief, behalve op de punten waarop we het niet zijn. Je kunt ook zeggen, we zijn allemaal progressief, behalve op de punten waarop we het niet zijn. Wat zijn de aardigste en meest evenwichtige politici? Dat zijn de mensen die kunnen leven met de grootst mogelijke minderheid van het andere. Het stereotiep dat je links bent als je voor euthanasie en abortus bent, tegen kernwapens, voor sociale zorg en ga zo maar door, dat is de vervalsing. Pas als de erkenning er is dat je niet naar een kant moet gaan hangen, krijg je interessante politici, denkers en bestuurders.”

En dan heb je paars...

“Paars zou voor dat proces een begin kunnen zijn.”

Is het woord paars een last?

“Ach, het is net zo als bij rood en groen. Groen is pas groen als het helemaal groen is. Als dat niet zo is wordt er gezegd: is dat nou groen? Zo is het met alle kleuren: noem je dat rood, noem je dat paars? En alles is natuurlijk behelpen. Paars is misschien niet uitzonderlijk als je de afzonderlijke koppen van de ministers ziet. Maar je moet die veertien koppen bij elkaar zien, dat is wel uitzonderlijk. Kok en Bolkestein waren tijdens de kabinetsformatie een gevaar op de weg. Allebei hadden ze de neiging dat andere kabinet met het CDA te maken, want in die cultuur waren ze groot gebracht. En dat gevaar is nog steeds niet weg. Hoewel paars maatschappelijk een succes is, merk je bij politici nog steeds de hang-up van het verleden. Je kon toch veel lekkerder je eigen identiteit laten glanzen. Daarom ben ik ook niet zo benauwd dat de noodzaak van D66 minder wordt. Je moet zo'n paars kabinet echt willen. En dan zeg ik niet dat je het altijd moet nastreven, want zo gauw als het doodnormaal is geworden, is er niets meer aan de hand en zijn alle combinaties mogelijk.”

Maar paars wordt nu al als heel normaal beschouwd.

“Pas op, maatschappelijk! Politici vinden het nog niet normaal. Maar politici lopen altijd achter op ontwikkelingen in de maatschappij. Het is voor mij wel een wonder dat paars zo gemakkelijk is geaccepteerd door het binnenwerk van de maatschappij.”

Is dat niet tegelijk ook verontrustend?

“Nee, het laat gewoon zien hoe politici jaren lang ten onrechte gedacht hebben dat het niet zonder het CDA kan. Maar het is normaal. De maatschappij is in een aantal opzichten verder en al veel langer ge-ontideologiseerd. De politici niet, omdat er machtsposities aan verbonden zijn.”

De politiek zou weer leuker worden. Maar het kabinet heeft nog niet echt een vonk doen overslaan.

“Noem het land waar dat wel zo is. De pittigheid is weg uit de politieke discussie en dat is misschien wat de mensen missen. Maar er zit tenminste ook geen frustratie meer in de discussie. Dat zat in alle voorafgaande kabinetten wel. Altijd was er weer de angst om door het CDA te kunnen worden weggestuurd. In de politieke discussie is de gelijkwaardigheid van de partijen nu een wezenlijk element.”

Laten we dan zeggen dat de passie weg is. De passie die er wel was toen D66 werd opgericht.

“In de jaren zestig en zeventig was alles passie. Dat was omdat de maatschappij dat ook aannam. Provo bracht passie in het maatschappelijk leven en heeft dat gepolitiseerd. D66 heeft het doorvertaald naar plechtiger kringen.Maar passie duurt niet lang hoor. De passie in de Nederlandse politiek is er toch altijd één geweest van houd me vast of ik bega een ongeluk. En dan houden we hem altijd vast.”

En dan krijg je heel beschaafd paars.

“Ja, maar niet zonder geest en zonder humor. Er zijn toch ook een aantal dingen in dit jaar gebeurd die anders niet gebeurd zouden zijn. Veranderingen in de uitvoering van de sociale wetgeving, in het familierecht, de winkelsluiting, staatsrechtelijke hervormingen, de herijking van het buitenlands beleid, de prijzenwet voor medicijnen, het mestbeleid. Kortom, alles wat te maken heeft met echte belangengroepen. Want dat was waar het CDA sterk in was: de band met belangengroepen.”

Het gaat goed met paars. Vanwaar dan die paniek nu bij D66?

“Dat is de klassieke malaria-aanval van D66 die om de zoveel jaren opkomt. Het heeft heel sterk te maken met het feit dat D66 nog steeds wordt gezien als vreemd weefsel in de politieke cultuur. Van alle kanten voel je de afstotingskrachten om het eruit te werken: ostracisme. Daar krijg je als partij soms ontzettend last van. Dan gaat men aan zichzelf twijfelen. Elke keer zeggen de anderen dat D66 niet duidelijk is, geen beslissingen neemt of geen mensen heeft. Iedere keer laten we zien dat het niet waar is, maar toch altijd weer die paniek. Het is al dertig jaar lang niet anders. En de enige die weet dat het echt al dertig jaar zo is, ben ik.” Het afgelopen jaar was voor Van Mierlo het jaar van de herijkingsnota. Ondertussen werd in het buitenland het beeld van Nederland herijkt. Het Dutchbatdrama in Srebrenica was lang wereldnieuws. Srebrenica was het moment waarop Nederland zijn maagdelijkheid verloor, zo is wel in de Amerikaanse pers gesteld. Van Mierlo: “Ik begrijp wel wat ermee bedoeld wordt. In internationaal opzicht wordt Nederland altijd ten voorbeeld gehouden. Het is een beetje waarin een klein land mooi kan zijn. En nou zit er ineens een schram op, een behoorlijke dikke schram. Dat is de les die we geleerd hebben. Nederland kan altijd zo verschrikkelijk vertederd over zichzelf praten. Kijk eens hoe klein, maar hoe fijn, hoe mooi, hoe zuiver. En in menig opzicht is dat ook zo. Maar het is natuurlijk in een aantal opzichten ook een reputatie die je aan je zelf geeft en die niet klopt. Dat was heel goed zichtbaar in de periode na de val van Srebrenica. De helden keerden terug en Nederland snelde naar de helden toe om ze te ontvangen. Er was alleen maar bewondering, maar men had niet in de gaten dat op dat moment het beeld al aan het kantelen was.”

Tot en met de minister-president, de kroonprins en een brede Kamerdelegatie die de helden in Zagreb zijn gaan ophalen.

“Dat de minister van defensie er naar toe ging, vond ik normaal. Maar daarbij had het moeten blijven. Alle muziek was teveel, want er was dat andere drama. Dat is een les. Waarbij je weer moet oppassen dat je niet naar de andere kant doorslaat en weggooit wat er toen aan goeds is gebeurd. Op een gegeven moment komt alles onder de dreiging van de smaad te liggen. Zo gaan we van de zelfverheerlijking naar de zelfverwerping. Daarom is het goed dat er een eind aan gekomen is. Het ziekte maar door. Wat er gebeurd is in Srebrenica, het psychologisch proces, dat zal nog wel even duren voordat we dat begrijpen. We hebben het nu zogenaamd behandeld. Maar begrepen en verklaard hebben we het nog niet.”

Waarom willen we als Nederland toch altijd vooraan staan?

“Nederland heeft als klein land belang bij internationale ordening. Hoe kleiner een land hoe groter dat belang. Zeker bij een rechtsorde. Nederland staat, sinds het zijn neutraliteit kwijt is, aan de menselijke kant van het spectrum. In de Verenigde Naties hebben wij bij voorbeeld altijd voor die kant gekozen en niet voor de harde rouwdouw kant. Niet mee doen is nul invloed. Meedoen is een beetje invloed.”

Bolkestein vroeg zich een aantal keren af waarom Nederland altijd meer wil doen dan de andere landen.

“Het is niet altijd meer! Maar afgezien daarvan onderschat Bolkestein denk ik het meer materialistische voordeel dat je uit deze opstelling zou kunnen halen. In Nederland heerst het puritanisme dat je er vooral niet beter van mag worden. Ik vind daar iets hypocriets in zitten omdat in feite Nederland altijd vrij goed voor zichzelf gezorgd heeft. Ik heb op dit punt ook echt verschil van mening met Bolkestein. Hij denkt dat Nederlanders niet voor hun eigen belang opkomen, maar dat is een absoluut verouderd beeld. De wereld schiet in de lach als je zegt dat Nederlanders niet voor hun zaak opkomen. We staan bekend als een land dat precies weet waar zijn belangen liggen. Bolkestein voert een strijd tegen het jargon van de jaren zeventig, niet eens tegen de praktijk van die tijd. Wat hij onderschat is dat je een aantal troeven moet hebben om grote gebaren te kunnen maken. Wij hebben die macht niet. Alleen als alles in evenwicht is tussen de grote landen en de één de ander iets om verschillende redenen niet gunt, kun je als klein land iets wegslepen. Een klein land moet zijn positie en prestige dus op een andere manier ontwikkelen. Dat doe je door in de internationale orde inventief te zijn, en er geld in te stoppen. Daarmee verwerf je een internationale faam. Het is een manier om je als klein land groter te maken tegenover die anderen.”

En voor het overige afwachten hoe de grote landen beslissen. Toch lijkt het wel of u zich persoonlijk geschoffeerd voelt door de gang van zaken rond de mislukte kandidatuur van Lubbers bij de NAVO?

“Nou ja persoonlijk, het was niet tegen mij persoonlijk. Ik vind dat de Amerikanen het verkeerd hebben aangepakt. Het is niet de manier waarop wij met elkaar dienen om te gaan. Daarin ben ik echt teleurgesteld. Ik heb er van opgekeken en kijk er nog steeds ontzettend van op.”

Maar ook toen de Spanjaard Solana op de NAVO-post benoemd werd, kwam u er nog op terug.

“Zolang mensen er vragen over stellen krijgen ze van mij antwoord. En ik vind dat je het zo niet doet, zoals de Amerikanen hebben gedaan. Bovendien hebben zij het nog steeds niet bevredigend uitgelegd. Maar onze betrekkingen lijden er niet onder. Die zijn zo oud en zo gedegen. Maar tegelijk vind ik dat zoiets juist vanwege die bijzondere betrekkingen nog minder had mogen gebeuren.”