Freud blijft fier overeind

RICHARD WEBSTER: Why Freud was wrong. Sin, science and psychoanalysis

673 blz., Basic Books 1995, ƒ 65,80

Achterop het themanummer 'Freud en hysterie', dat het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde onlangs uitbracht ter herdenking van 100 jaar psychoanalyse, wordt reclame gemaakt voor 'optimale cycluscontrole', voor de pil dus. Het is een hysterische advertentie, waarin een jonge vrouw wijdbeens half gebogen staat over een man, die op de grond ligt. Hij grijpt met zijn hand haar been vast in een poging omhoog te komen, maar hij mag nog niet. Zij brengt net een knots van een camera in de aanslag en richt die als een revolver op zijn ontblote borst. 'Being in control' staat er als uitleg onder.

Wordt zo'n advertentie bewust zo gemaakt en kunnen wij er nog onbewust naar kijken? Zou de redactie zich bewust zijn geweest van de ironie van de geschiedenis, die de vrouw van slachtoffer van een hongerige baarmoeder - de oorspronkelijke betekenis van hysterie - tot baas in eigen buik heeft laten worden? Waarom gaat het in pil-advertenties nooit over het vermijden van een ongewenste zwangerschap, maar altijd over vrijheid, hier zelfs als seksuele overmacht van de vrouw voorgesteld?

Dat zijn Freudiaanse vragen, maar wij zijn, zoals Webster al in het begin van zijn boek zegt, 'all Freudians' en daarom hoeven zij niet uitgelegd te worden. We weten wel ongeveer wat er met bewust en onbewust bedoeld wordt, we zijn vertrouwd met de symbolisering van het seksuele en het mechanisme van de verdringing van wat als pijnlijk beleefd wordt. Het is voor iedereen duidelijk dat de scène op de foto in de advertentie een nauwelijks verhulde seksuele lading heeft. De genitale bewapening van de vrouw kan nauwelijks explicieter - de camera bevindt zich zelfs ter hoogte van het kruis -, maar ook de vrouwelijke ligging van de man en de mannelijke houding van de vrouw zal weinigen ontgaan. Moeilijker wordt het met de interpretatie van zijn korte en haar lange haar en je moet al echt goed thuis zijn in de psychoanalytische iconologie om de advertentie als geheel zinvol in Freudiaanse termen te kunnen duiden.

Reclamemakers zijn door intuïtie en ervaring bij uitstek in staat aan te voelen hoe een moeilijke boodschap (“met dit middel kun je effectief een zwangerschap voorkomen”) verleidelijk verpakt moet worden (“met dit middel ben je seksueel de baas”). Consumenten worden eerst door de suggestie van het beeld verleid. Pas daarna komt de echte boodschap aan de orde en wordt duidelijk wat de commerciële waarde van de verleiding is geweest. Zo is de voor iedereen verleidelijke suggestie van seksuele (over)macht in dit geval alleen bedoeld om vrouwen die het risico lopen ongewenst zwanger te worden, voor de pil van deze producent te laten kiezen. Wat er in de symbolen van het beeldverhaal precies zo verleidelijk is, blijft daarbij voor de betrokken vrouwen in eerste aanleg meestal onbewust. Zelfs als het bewust gemaakt wordt, is de verleidelijkheid nog niet verdwenen.

De betekenis van Freud hoeft niet alleen herdacht te worden bij gelegenheid van het eeuwfeest van het verschijnen van de Studien über Hysterie, die hij samen met Josef Breuer publiceerde. De Studien trokken destijds nauwelijks enige aandacht en niemand had toen kunnen voorspellen dat ook de scherpste critici van de psychoanalyse een eeuw later niet anders kunnen dan toegeven, dat 'we all are Freudians'. We herdenken Freud niet, we denken Freud en dat had ook Freud zelf nooit gedacht. Dat wil wat zeggen, want Freud leed niet aan valse bescheidenheid ten aanzien van zijn eigen kwaliteiten en prestaties. Zelfs toen hij nog niets in handen had en ook in Wenen nauwelijks bekend was, wist hij zich voorbestemd voor iets groots. Veel mensen koesteren zo'n fantasie, maar al veel minder mensen zetten zich er echt voor in die fantasie ook te realiseren, nog minder houden het vol en slechts enkelen lukt het ten slotte.

Freud hoort tot die kleine groep en dat is te meer bijzonder, omdat alle voortekenen ongunstig waren. Hij kon zich financieel geen wetenschappelijke carrière permitteren (daar moest destijds geld bij), nam geen deel aan het sociale en maar zeer beperkt aan het intellectuele leven van zijn tijd. Hij was in feite niet meer dan een joodse dokter met een weinig lucratieve praktijk aan huis en de verantwoordelijkheid voor een groot gezin. Pas toen hij al een jaar of 50 was, gingen zijn publikaties werkelijk de aandacht trekken, raakten collega's in hem geïnteresseerd en werd zijn sociale isolement doorbroken. Van toen af ging het snel en nu hoort Freud met Thomas Mann, Albert Einstein en Pablo Picasso tot de steeds kleiner wordende groep echte erflaters van de twintigste eeuw.

Over Einstein heeft geloof ik nog nooit iemand iets onaardigs weten te zeggen, maar Picasso is inmiddels ontmaskerd als een verschrikkelijke macho en Mann als een gefrustreerde homo die zijn gezin tiranniseerde. De kwaliteit van hun werk raakt dat natuurlijk niet, zelfs het oordeel erover verandert niet wezenlijk, net zo min als de verstrooide vriendelijkheid van Einstein bijdraagt tot de charme van de relativiteitstheorie.

Bij Freud is dat toch anders en dat heeft er natuurlijk mee te maken dat hij niet met materie en gedachten, maar met mensen en gevoelens bezig was. Zijn theorie is voor een belangrijk deel gebaseerd op interpretatie van wat hij van zijn patiënten zag en hoorde en op de generalisatie van eigen introspectie - zijn methode is voortgekomen uit zijn eigen behandelingspraktijk. De theorie is niet erg vleiend voor het zelfgevoel en de behandelingsmethode is letterlijk verraderlijk, gericht op het openleggen van wat mensen zelf juist niet willen zien. Ik vermoed ook dat in het ongemak daarover ook de diepere grond ligt van de behoefte Freud van zijn voetstuk te stoten. De inzet is steeds dat het niet waar is wat Freud zegt of in ieder geval niet nieuw en dat Freud zelf bovendien ook helemaal niet deugde. Richard Webster kiest voor alle drie aanvalslijnen tegelijk.

Freud heeft zijn ideeën vaak moreel afgewezen of simpelweg genegeerd gezien. Hij was daar erg gevoelig voor en al maakte zijn eigen theorie het mogelijk de afwijzing als weerstand te duiden - en daarmee als een bevestiging van de theorie -, het stak toch. Na zijn dood in 1939 is er een hele periode geweest, waarin de psychoanalyse de geestelijke gezondheidszorg en de psychiatrie volstrekt ging domineren, Freud tot een legende uitgroeide en zijn teksten heilige boeken werden. Van kritiek was geen sprake meer, maar in de vorm van nieuwe interpretaties, andere exegesen en verandering van accenten ontwikkelde de theorie zich toch verder. Een beetje heilig zijn de teksten van Freud nog steeds wel, maar van het indrukwekkende gesloten systeem van theorie, methode en behandeling, zoals dat aan het eind van zijn leven tot praktijk verheven was, is toch niet veel meer over.

Webster

Zo weinig zelfs, dat de Franse analyticus André Green in 1995 de 'Sigmund Freud's Birthday Lecture' kon wijden aan de vraag 'Has sexuality anything to do with psychoanalysis?' Tegenwoordig veel te weinig, zo luidde zijn oordeel en hij verzet zich dan ook tegen standpunten, zoals die in het herdenkingsnummer van het Tijdschrift voor Geneeskunde bijvoorbeeld door A. van Dantzig worden ingenomen. “Freuds oorspronkelijke en essentiële vondst was het psychodynamisch conflict (...). Freud heeft ontdekt dat mensen door de nood gedwongen ertoe komen hun gevoelens te veranderen, omdat anders hun wereld onleefbaar wordt.” In deze termen zijn we overigens, anders dan in de seksuele symbolentaal, zeker niet 'all Freudians'. De psychologie van de persoonlijkheidsontwikkeling en de mechanismen die werkzaam zijn in de oplossing van het psychodynamisch conflict zijn moeilijk te begrijpen en zijn ook altijd pas werkelijk relevant in de toepassing op een individueel geval.

Helemaal los van de huidige praktijk van de psychoanalyse is Freud inmiddels opnieuw onderwerp van studie geworden. Er is een uitgebreide literatuur ontstaan over zijn intellectuele leermeesters en voorlopers, over het leven van Freuds eerste (beschreven) patiënten, over de wijze waarop Freud met onderzoeks- en behandelingsgegevens omsprong, over zijn levenswandel en over de manier waarop hij de psychoanalytische beweging in de greep probeerde te houden. Er is veel nieuw, soms onthutsend materiaal uit archieven opgediept, zowel van als over Freud. Voor een heiligverklaring is weinig reden meer, maar de fascinatie voor de man en zijn werk lijkt er alleen maar groter door geworden. Het is ook opvallend hoe fel, direct, persoonlijk en gedetailleerd de kritiek is. Cocaïnemisbruik, malpractice, dood door schuld, incompetentie, wetenschappelijke fraude, overspel, trouweloosheid, misleiding, machtsmisbruik, vrouwen- en homohaat, omgang met slechte vrienden, leugenachtigheid, vervalsing en vernietiging van data, hoogmoed, onwetenschappelijkheid, het is Freud inmiddels allemaal al nagedragen. Alleen van incest of van heulen met de nazi's heeft niemand hem kunnen beschuldigen. De genade van de vergeving voor het vergeten van dingen die vijftig of zestig jaar eerder zijn gebeurd, wordt hem ook als zieke grijsaard niet gegund.

Richard Webster is een nieuwe grootheid in het gezelschap van de critici. Zijn boek is de omvangrijkste en meest ambitieuze poging tot 'debunking' van Freud als arts, onderzoeker, analyticus en persoon tot nu toe. Sinds Eysenck is hij zeker ook de eerste die Freud met een alternatieve theorie de loef probeert af te steken. Dat is niet gering voor iemand met een studie Engelse taal- en letterkunde als wetenschappelijke achtergrond. Op het gebied van de psychoanalyse of de psychologie heeft Webster onderzoeks- noch praktijkervaring. Hij heeft ook alleen toegang tot de Engelstalige Freudliteratuur en verwijt Freud dan ook medicaliserende termen te gebruiken, zonder zich te realiseren dat juist de Engelse vertaling daar zoveel meer onder gebukt gaat dan de oorspronkelijke Duitse tekst. Maar ja, van iemand die naam heeft gemaakt met een Brief History of Blasphemy mag verwacht worden dat hij ook in de kerk van de psychoanalyse korte metten maakt. Beeldenstormers hoeven niet zelf ook beeldhouwers te zijn.

Nieuwe biografische feiten staan er niet in dit boek en dat kan ook niet, omdat het volledig gebaseerd is op het werk van de vele biografen en bronnenonderzoekers die Webster inmiddels zijn voorgegaan. Webster gaat chronologisch te werk en hij gaat erg diep in op de vroege en nog niet psychologische publikaties van Freud, die voor een belangrijk deel pas lang na zijn dood boven water zijn gekomen en op de ontwikkeling van de psychoanalyse als zodanig geen invloed hebben gehad. Ze laten wel iets zien van Freuds wetenschappelijke en intellectuele ontwikkeling. Voor Webster leveren ze het bewijs dat Freud reeds als jonge onderzoeker altijd de verkeerde weg insloeg en bovendien geneigd was in elke doodlopende straat het begin van een boulevard te ontdekken. Freud was qua temperament volledig ongeschikt voor het langzame en saaie werk van de empirische, wetenschappelijke onderzoeker. Hij had wel jaren niets anders gedaan en enkele nette onderzoeksverslagen gepubliceerd, maar hij was er toch het type niet naar om met minder genoegen te nemen dan snel verkregen en spectaculaire resultaten. Een voorzichtige hypothese veranderde bij Freud in een baanbrekende en allesomvattende theorie en hij werd verteerd door de zucht naar roem en erkenning.

Serieuze leermeesters keerde Freud uiteindelijk de rug toe om in Parijs bij de voor Webster uitermate dubieuze Charcot - destijds wel de absolute autoriteit op het gebied van de hysterie - te gaan studeren. Het waren diens opvattingen over de psychologische basis van sommige lichamelijke aandoeningen die Freud definitief op het verkeerde spoor van de 'pseudo-science' deden belanden. Wetenschappelijk noch intellectueel heeft Freud iets van waarde nagelaten, aldus Webster, al ondekt hij op de laatste bladzijden van zijn boek toch nog wel een heel klein beetje, maar niet nader genoemd 'gold of true psychological insight'. Zelfs van Freuds ook door zijn critici veelgeroemde literaire kwaliteiten is Webster niet onder de indruk, maar dat is misschien ook een beetje veel gevraagd van iemand, die geen Duits kan lezen.

Freud had er overigens ook beter aan gedaan niet de praktijk in te gaan. Hij had zeker geen dokter moeten worden, want hij deed zijn werk slecht en stapelde fout op fout. Voor Webster is het onbegrijpelijk, dat het Freud en Breuer ontgaan kan zijn dat hun zogenaamde hysterische patienten 'gewoon' leden aan echte lichamelijke ziekten. Als Anglicist kost het hem geen moeite Anna O. en Emmy von N. aan een nieuwe en glasheldere somatische diagnose te helpen. Zelfs patiënten die Freud nauwelijks heeft gekend, blijken - op basis overigens van Freuds eigen beschrijvingen - moeiteloos te diagnostiseren. Het is de 'running gag' van het boek: het is allemaal zo simpel, waarom wil de psychoanalyse het dan allemaal zo ingewikkeld maken?

Wonderkind

Zelfs als beoefenaar van de psychotherapie, een vak dat toch zo ongeveer door Freud is uitgevonden, kan hij bij Webster geen goed doen. Freud luisterde niet naar zijn patiënten, drong hun zijn mening op, duidde het als weerstand als ze die niet accepteerden, en hielp hen uiteindelijk niet van hun problemen af. De belangstelling van Webster voor de analyse als psychotherapeutische praktijk is niet zo groot, al is het wel merkwaardig om te zien hoe hij in een poging zich af te zetten tegen concepten als overdracht en tegenoverdracht in zijn beschrijving van wat er dan wel aan de hand is tussen therapeut en patiënt, een heel aardig beeld van het principe van de overdracht geeft. De irritatie van Webster richt zich met name op zowel het onbewuste als het historische karakter van de overdracht. Hij gelooft daar niet in en het is voor hem opnieuw een bewijs voor Freuds neiging dingen onnodig ingewikkeld te maken.

De vraag of Freud als 'een wonderkind of een total loss' moet worden beschouwd, is voor Webster niet moeilijk te beantwoorden. In het tweede deel van het boek ('The church and the psychoanalytic gospel'), als de aandacht van de ontwikkeling van de theorie - die Webster omstreeks 1905 als vrijwel afgerond beschouwt - verschuift naar de opkomst van de psychoanalytische beweging, lijkt Freud echter toch zijn roeping gevonden te hebben. Freud groeit in korte tijd uit tot een charismatische leidersfiguur, een zelfbenoemde Mozes die ook met de stenen tafelen, zelf geschreven ditmaal, de berg afkomt, vol toorn de lichtgelovigen en afvalligen straft en altijd het gevoel houdt in zijn radicaliteit onbegrepen te zijn.

Sommigen van zijn eerste leerlingen zagen Freud als een soort messias en ook de vergelijking van de psychoanalytische beweging met een kerkgenootschap werd destijds al gemaakt, al is het nooit zo consequent gedaan als nu door Webster. Origineel is zeker zijn interpretatie van de theorie van de psychoanalyse als een soort geseculariseerde versie van het verhaal van de zondeval en de verlossing, maar of daarin nu ook de verklaring ligt voor de aantrekkingskracht die van Freuds theorie uitgaat, lijkt me op zijn best een speculatie. Het argument kan ook worden omgekeerd: het verhaal van de erfzonde en de verlossing is zo succesvol, omdat het de symbolische weergave is van de kern van het psychodynamische conflict.

Webster besluit zijn boek met een aanzet voor wat Freud een metapsychologie genoemd zou hebben. Het is mij niet duidelijk geworden wat Webster daarbij precies voor ogen heeft, maar een bescheiden onderneming is het niet. Hij heeft Freud achter zich gelaten en vindt nu de tijd gekomen voor een in de evolutionaire biologie gewortelde, empirisch gefundeerde en niet-dualistische antropologie, te beginnen daar waar Darwin gestopt is. Ik kan me daar nog niets bij voorstellen, maar veel plaats voor het hele idee van een psychodynamisch conflict, voor neurotische ontwikkeling of voor psychopathologie zal er in die theorie zeker niet zijn. Je voelt bij Webster het verlangen naar een harmonieuze integratie van de mens als succesvolle aanpasser aan wisselende omstandigheden in de grote lijn van de biologische evolutie. Een wereld zonder dubbele bodems, waar alles is wat het schijnt te zijn.

Ik vond dit een verwarrend boek, gevaarlijk meeslepend geschreven, vaak ontwapenend door de ongeïmponeerdheid waarmee naar bijna canonieke teksten gekeken wordt, soms toch ook onthutsend door het gemak waarmee aan kleine tekstfragmenten een grote bewijskracht wordt toegekend en uiteindelijk teleurstellend in het met veel aplomb aangekondigde alternatief voor de psychoanalyse. De kritische beschouwingen die Webster wijdt aan de Studien über Hysterie, de Traumdeutung en de Abhandlungen zur Sexualtheorie zijn echt interessant, maar de essentie van de psychoanalyse en daarmee ook van de betekenis van Freud lijkt toch aan hem voorbij te gaan. Webster had voor hetzelfde geld ook Columbus kunnen ontmaskeren als een waardeloze zeeman, een prullige geograaf en een mislukte ontdekkingsreiziger, omdat hij naar het Westen voer om een nieuwe weg naar India te vinden. Hij ontdekte Amerika, Freud ontdekte het onbekende continent in onszelf. Webster heeft niet kunnen aantonen dat het niet bestaat. Daarom is de kans dat het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde in 2095 de verschijning van Why Freud was wrong zal herdenken, niet groot.

    • Paul Schnabel